Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat mijn vriend Rothari mij van zich zeiven deed, was er ook een van achteruitgang, van minder worden. Die achteruitgang, die bestaat in het langzamerhand loslaten van beginselen , eenmaal fier omhoog gehouden. In minder nauw het er meê nemen. In het allengskens uitblusschen van warmte en bezieling. In het terzijde schuiven van idealen, die eens de eereplaats hadden.

Van de ontvangkamer naar den rommelzolder. Meubelen , eerst geroemd en geprezen, hebben dien droevigen weg afgelegd. De gloed der nieuwheid verdween, ze ontvingen schrammen en deuken, ergst van al, ze werden ouderwetsch, en nu, wrak en versleten, staan ze boven in een hoek. Gravures, die eenmaal in ons ouderlijk huis den wand sierden der mooie kamer, „Shakespeare a la cour d'Elisabeth" of „The past and the future" of „Bonheur passé richesse", in hare glimmende zwarthouten lijsten, daarna, bij wijziging van smaak, verhuisd en door een volgend geslacht, dat ze, uit piëteit, toch niet wilde wegdoen, opgehangen in de kinderkamer of op de logeerkamer, waarnaar gewoonlijk meer gevallen grootheden worden overgebracht.

In een plotselingen val kan nog het tragische zijn, dat aangrijpt, het heroïeke, het eerbiedafdwingende van den gevelden eik, van Cronjé op St. Helena. Maar dit langzaam wegsterven is zoo droevig, zoo vernederend. Ondergang behoeft niet te zijn ten koste van de glorie, en alles kan verloren gaan behalve de eer. Achteruitgang is zoo armoedig, zoo sjofel, zoo bitter pijnlijk.

Sluiten