Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deuteronomium XXIII: 2 lezen »geen bastaard zal in de vergadering des Heeren komen, zelfs zijn tiende geslacht zal in de vergadering des Heeren niet komen.« Diep treurig dat er onder de volgelingen van Hem, aan wiens bestaan we 't Nieuwe Testament danken, eenigen zijn welke, zich plaatsende op zoo alleronchristelijkst standpunt, de »onechte« kinderen op andere dagen doopen dan de »echte«. Nog erger, dat ik in't debat onlangs op een openbare vergadering dit standpunt hoorde verdedigen door een zéér jongen man, op grond alweer van dat »zondig« verleden. Waarom echter 't onschuldig kind daarvoor te laten boeten, al is 't dan ook bij een handeling waarvan het geen besef heeft. Men versta mij niet verkeerd, ik acht het in bijna geen enkel geval 'n »dappere« daad, of welk mooi adjektief men moge bedenken. En wat de geloovigen als zonde veroordeelen, veroordeel ik even sterk als zij, al kies ik voor dat zélfde het woord »gebrek-aan-verantwoordelijkheidsgevoel«. Maar 't staat niet aan ons daarover als zedemeesters op te treden, noch minder den daad der ouders te wreken aan 't kind. En ik was dan ook dankbaar, dat er een geloofsgenoot van dien christelijken jongeling opstond om hem te herinneren aan 't »wie zonder zonde is«. —

De in Febr. '80 benoemde Staatscommissie tot herziening van ons B. W., die den 30sten November '86 zijn ontwerp indiende, behield daarbij den Franschen rechtsregel. Typisch is om nu we het ontwerp Loeff kennen, de toelichting te lezen waarmede de heeren't behoud van het verbod verdedigden:

«Bepaald bewijs wie de vader van eenigkindis, »is eigenlijk nooit met zekerheid te leveren. Geeft »men dus aan iedere moeder de gelegenheid om »van hem, van wien zij beweert vader van haar »kind te zijn, de erkenning te vorderen, dan is de

2

Sluiten