Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij weten en gelooven!

En dreigden hel en dood,

U kunnen ze ons niet rooven,

Almachte Bondgenoot!

Al gaat het op een strijden.

Uw schild bedekt ons saam;

En onder kamp en lijden,

Verheerlijkt Gij Uw naam!

Zóó zij 't Verbond bezworen,

Vernieuwd in smart en nood!

En deze leus verkoren :

„Getrouw tot in den dood!"

Gebergten moeten wijken,

Een wereld moog' vergaan,

't Geloof zal niet bezwijken,

Zoolang het Kruis blijft staan!

5. Toespraak van den Bondsvoorzitter:

Ds. J. J. VAN NOORT, Begroeting van Buitenlandsche- en andere afgevaardigden.

6. Koraal: „Straf mir nicht in deinem Zorn".

(door het Mandoline Gezelschap „Residentia").

7. Ouverture „Athalia" . . F. Mendelssohn-

Bartholdy.

(door ,,Arti et Religioni").

8. Toespraken van Buitenlandsche afgevaardigden.

9. Zang van het Mannenkoor:

Des Heeren Huis.

J. P. Heije. J. C. Boers.

Uit den grijs bemosten toren Dringt der klokken hel geluid:

Komt! het noodt u allen uit,

Mengt uw stemmen in de koren !

Komt en legt het aardsche kruis Neder in des Heeren huis.

Wie er weenden, wie er baden,

Daar wordt traan en beê verhoord :

Rust daar bij des Heeren Woord, Wie vermoeid zijt en beladen,

Vliedt daar allen 't aardsch gedruisch :

Vrede woont in Godes Huis.

Eenvoud, onschuld keert er weder In de ziel, voor God ontgloeid ;

Wat u nog aan de aarde boeit,

Legt het aan den drempel neder,

Spoeddet ge uit paleis of kluis,

Kind'ren Gods zijt ge in Gods huis.

10. Symphonie No. 4 (le deel).

Adagio Presto. ....... Jos. Haydn.

(door ,,Arti et Religioni").

11. a. „Traviata-fantaisie " . . . . Verdi-Schieck. b. Je pense a toi Ancarani.

(door het Mandoline Gezelschap „Residentia").

12. Zang van het Mannenkoor:

Wilt heden nu treden.

Wilt heden nu treden voor God, den Heere,

Hem boven al loven van herten seer,

End' maken groot sijns lieven naemens eere,

Die daer nu onzen vijant slaet ter neer.

Ter eeren ons Heeren wilt al uw dagen Dit wonder bijsonder gedencken toch,

Maekt u, o Mensch, voor God steets wel te dragen, Doet yder recht en wacht u voor bedrog.

Bid, waket en maket, dat ge in bekoring

End' 't quade met schade toch niet en valt, U vroomheijt brengt de vijant tot verstoring,

Al waer sijn rijck noch eens zoo sterck bewalt.

Sluiten