Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woning was, zoo eenvoudig ook de kleeding. Gehard tegen weer en wind, liepen de mannen des zomers bijna geheel naakt, slechts met een mantel en een kort wambuis bedekt; in den winter diende pelswerk tot beschutting. De vrouwen droegen linnen stoffen.

In tijd van vrede was de jacht de eenige bezigheid van den Germaan; zijn strijd met wolven, beren en wilde zwijnen was eene oefenschool voor den oorlog. Rustte de jacht, dan bracht hij den tijd door met slapen, drinken en dobbelen. Zijne speelwoede kende geen perken. Als alle have verspeeld was, werd zijne eigen vrijheid de inzet. Met veeteelt en landbouw, naast de jacht de hoofdmiddelen van bestaan, liet hij zich niet in. De zorg hiervoor rustte op de vrouw. Zij hanteerde zoowel den ploeg als de bijl en was in het voeren der wapenen niet onbedreven, zoodat zij wilde dieren en roovers kon afslaan.

De oorlog was het eigenlijke levensdoel van den Germaan. Zijne hoofdwapenen waren de knots, de strijdhamer en de framea, d. i. eene speer met korte, smalle, ijzeren spits en korte schacht, geschikt tot werpen en stooten. Tot beschutting van het lichaam diende een houten schild, vaak met huiden bekleed. De voornamen trachtten zich het hoofd door dierenvellen te beschutten; soms plaatsten de reusachtige aanvoerders den opgesperden muil van een beer of wolf op hun hoofd, ten schrik des vijands. Vóór den slag sprak de aanvoerder, de rijen doorijlende, een woord van aanmoediging. Met wilde kreten antwoordde het leger; de krijgszang werd aangeheven, begeleid door getoeter op de koehoorns en het geklank der wapenen op de schilden. Men bezong de helpende goden; met vreeselijk gebrul trachtte men de stem des dondergods na te bootsen. Dit alles had

Sluiten