Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit alles bleek de erbarmelijke toestand des lands: het platteland was verarmd, de fabrieken waren zonder werk, de kantoren ledig. Reeds vóór 1810 bestonden handel en zeevaart niet meer; aanzienlijke steden waren merkbaar ontvolkt; vele huizen met het woord „onbewoond" geteekend; het getal behoeftigen verontrustend groot. Amsterdam verloor 1/7 zijner bevolking, 1/4 deel werd geheel bedeeld, 1/4 deel af en toe. In Haarlem en in Den Haag sloopte men honderden huizen; buitenplaatsen werden voor een spotprijs verkocht of wel afgebroken; dijk- en polderwerk verwaarloosd. Diakonieën, kerkekassen, predikanten (zij ontvingen geene bezoldiging) verkeerden in hoogen nood. Koffie, suiker en tabak kostten ongeveer 3 gulden het pond. Fransche lichtzinnigheid en zedenbederf drongen van de hoogere klassen tot de lagere door. Deerniswekkend was in één woord de toestand van het volk, dat al deze rampen over zich zag uitgestort.

Toch heeft het verblijf der Franschen veel goeds uitgewerkt. Vroeger werd in onderscheidene deelen des lands op gansch verschillende wijze recht gesproken, werden de steden en provinciën op verschillende wijze bestuurd. Door toedoen der Franschen kwam er eenheid van rechtspraak, eenheid van het bestuur in het geheele land.

Aan den druk der regentenfamiliën werd een eind gemaakt. Hiervoor kwam nu, wel is waar, de hunne in de plaats, maar deze had goede gevolgen. Vroeger stond elke stad, elke provincie op zich zelve en dacht in de eerste plaats aan eigen welzijn, zonder zich om dat van het geheele land te bekommeren. Thans leed men gemeenschappelijk, gemeenschappelijke verdrukking verbroederde de menschen, en toen de vrijheid herkregen was, kwam uit de beproeving

Sluiten