Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alsof men daarachter eiken dag bruiloft viert of een doopmaal houdt!

Tegen de armzalige leemen hutten, welker stroodaken bijna tot op de aarde nederhangen, steekt het ontegenzeggelijk zeer prachtig af. De heideboeren hebben zich dan" ook, ten tijde dat het gebouwd werd, bijna de oogen uit het hoofd gekeken, en vader Claasen heeft juist geprofeteerd, toen hij, na lang gezwegen te hebben, eindelijk zijn aarden pijpje uit den linker hoek van zijn mond in den rechter bracht, en sprak (in het plat-Duitsch): „Dat moet een dwaze man zijn, die dat huis laat bouwen. — Hij moet rijk zijn, want zoo'n kraam betaalt hij niet met muizendrek, - - en hij moet rechtschapen zijn, want hij gaat niet op leugen en schijn af, en heeft zich zijn kleine woning onder de aarde ook vlak bij de kerk in orde laten brengen, maar hij moet ook een dwarshoofd zijn, — waarom wil een rijk man zich anders alleen en verlaten hier onder de ijmkers vestigen?"

De anderen knikten en zwegen, zij spraken nooit veel, en de rede van vader Claasen was de langste geweest, welke men na die van den Predikant in Ellerndörp had gehoord.

Aanvankelijk zag men niet veel van den nieuwen landheer. Hij kwam van tijd tot tijd met den postwagen naar buiten, om den bouw van het huis in oogenschouw te nemen, en de eenige dorpsbewoners, die dan met hem in aanraking kwamen, -waren Peter Hagen, dien hij als tuinman had gehuurd, en diens vrouw, moeder Doortje, die later in het huis de betrekking van huishoudster zou vervullen.

Met hen liep de Overste door den nieuwen tuinaanleg, en deelde daarbij op zijn korte, ietwat ruwe soldatenmanier zijne bevelen uit, zonder een enkel overtollig woord te gebruiken, — waardoor men bij den eersten blik in hem den zonderling herkende.

Hij was klein van persoon, mager en verschrompeld, met tallooze rimpels en plooitjes in het leerkleurig gelaat.

Sluiten