Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een stoppelige, grijze knevel bedekte de bovenlip, de neus was schetp gebogen, uit de oogen sprak een mengeling van verkropte woede en verbittering, en wanneer de oude heer volgens zijn gewoonte met de hand zenuwachtig door de dun gezaaide haren streek, vormde er zich een nijdige kuif boven het hooge voorhoofd, welke hem daarenboven een strijdlustig en dreigend aanzien gaf. —

Overste Koltitz was blijkbaar een menschenschuw en menschenhatend man, ziekte en zenuwachtigheid stonden hem op het gelaat te lezen, en toen hij met haastige schreden, het hoofd vooruit gestrekt, de handen op den rug, voor de eerste maal door de dorpsstraat stapte, zonder rechts of links te kijken, schudden de heideboeren bedenkelijk het hoofd en fluisterden elkander toe: „De kerel is niet goed in 't hoofd! Hij heeft er een katuil in zitten!" Maar toen de muren van het nieuwe huis al hooger en hooger verrezen, en de Overste vaker uit den gelen postwagen stapte, werd het beter. Hij begon toen op straat om zich heen te zien en langzamer te loopen.

Hij nam de afzonderlijke huizen op, zij het dan ook nog altijd met een gezicht, alsof hij bijten wilde, klapte met het valsche gebit, alsof hij het vreedzame heidedorp tusschen de tanden wilde nemen, als een vos den haas, en greep reeds een paar keeren ongeduldig naar zijn hoed, als enkele vrouwen hem verlegen „goeden dag" zeiden.

Hoe vaker hij kwam, hoe toeschietelijker hij zich voordeed. Moeder Doortje kwam ademloos aan de welpomp en berichtte: „Vandaag stelde hij zich heel fatsoenlijk aan! Hij was ook tevreden over den tuin en heeft gemeesmuild als een kater in den zonneschijn!" Dat was een goed bericht. — Er kwam zelfs nog een beter, 's Namiddags was de Overste aan de tuinheg van den Dorpsschout blijven staan en had kleine Janna luide gevraagd: „Zeg, is het waar, dat je vader nog aardappelen te koop heeft?"

Sluiten