Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meende Jochem. 's Zondagsavonds kwamen de dorpelingen bij moeder Marietje samen, dronken er hun „potje bier" en kegelden.

„Goed!" zeide de Overste, „dan kom ik aanstaanden Zondag in de kroeg!"

En hij kwam. In de hoogste spanning en met de grootste belangstelling verbeidde men zijne verschijning.

Er heerschte een plechtige en benauwende stemming als in de kerk.

Met de korte steenen pijp in den mond zaten de vaders van het dorp bijeen, bliezen dikke rookwolken uit en spraken nauwelijks een woord. Toen het geratel van den naderenden postwagen op den zandweg werd vernomen, hieven allen werktuigelijk het hoofd op en Jochem Weese, die het dichtst bij het venster zat en naar buiten kon zien, trok kalm zijne schoenen, welke hij gewoonlijk onder tafel uitdeed, aan en zeide: „hij komt!" — En hij kwam.

De Ellerndörpers stonden eerbiedig op, en wie van hen vergat, de pijp uit den mond te nemen, schoof ze ten minste uit den eenen hoek in den anderen. Dit was ook een teeken van levendige belangstelling in de gebeurtenis. —

Door de heideboeren werden niet veel woorden bij het „bespreken" gebruikt. Niet meer dan de noodzakelijkste. Ja, zij wilden den Heer het gewenschte land verkoopen, en zoo en zooveel moest het kosten.

Men overvroeg niemand in Ellerndörp, en de magere grond en bodem werd niet tegen goud opgewogen.

De Overste meesmuilde op nieuw en een handslag bezegelde den koop, tot de „advocaat" hem schriftelijk zou gesloten hebben.

En daarna sprak men over andere dingen. Eerst over het land en de menschen, over de bijenteelt en de vette hamels, over de bemesting en de paarden, over het weêr en den moeielijken tijd. — Dat vormde den overgang tot ernstiger onderwerpen. Hongersnood, oorlog — de jaren 1813 en 1870! — Een oude man

Sluiten