Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tochtelijken haat, door het kleine venster op de stille, zich in het zonlicht badende vlakte rusten. „Hier is het einde der wereld, me verder van haar verwijderen kon ik niet, de zee bepaalt de grenzen. Tot hiertoe ben ik de menschen ontvlucht, als een paria, als een vogelvrij verklaarde, wien het op het voorhoofd te lezen staat, dat men den invaliden, afgeleefden kerel geen regiment kon geven. — Bah! wellicht vertelt men elkander ook: „De oude was toch een te domme vent — deugde voor niets, daarom heeft men hem weggejaagd!"

„Neen, neen, Mijnheer, zoo iets zegt geen menschelijke ziel!"

„En waarom niet? Heden „Hosanna" en morgen „steenigt hem!" — wie zijn jas uitgetrokken heeft, is eenvoudig niets meer dan een vogelverschrikker, dien zelfs de musschen op het dak schandelijk voor den gek houden. — Maar ik zal hun daartoe niet de gelegenheid geven. Hier bevalt het me, kinderen, ik blijf bij jelui. Ik ben een goeie, verdraagzame kerel, die geen mensch iets in den weg leg, alleen de uniformen maken me razend! Ik kan geen uniformen meer zien! 't Is bij het aanschouwen er van of ik een steek door mijne hersenen krijg en doet me dol worden!"

En Koltitz keek zoo woest om zich, als vreesde hij, dat er ook hier zoo'n vervloekte uniform als een jobsbode over den weg zou loopen!

„Neen, heer, — soldaten hebben wij niet in het dorp. Hendrik van zwarte Lena dient wel in Hamburg, maar hij komt niet met verlof; hij heeft geen duit om op reis te gaan !"

Weder ontstond er een korte pauze, de Overste scheen met zijne gedachten ver afgedwaald, en de boeren keken zwijgend vóór zich uit, als herkauwers, die het ongewoon vele geestelijke voedsel, dat hij hun had opgedischt, eerst verteren moesten.

Eindelijk schraapte Peter Claasen zich de keel. Hij meende den man eerst op betere gedachten te moeten brengen, vóór hij weder in den gelen postwagen steeg.

Sluiten