Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uren lang naar buiten naar den rondedans der vlokken, en naar de daken der dorpswoningen, welke zich als spitse sneeuwhoopen verhieven. Als de blauwachtige rookwolken er over kronkelden, wist hij dat nu moeder Fieken en moeder Hanneke de soep op het vuur hadden. En als het gedempte blaffen van een hond uit de dorpsstraat weerklonk, een blaffen, dat van huis tot huis tot een voller accoord zwol, schril en diep, cholerisch en sanguinisch, keffend en brommend, dan keek Koltitz naar de pendule en knikte tevreden in zichzelf. De post reed het dorp binnen. Dikwijls bromde hij dan in zijn baard: „en zij heeft geen brief voor u, mijn hart, mijn hart!" en hij wreef daarbij welgevallig in de handen en knikte inwendig woedend: „Dat ontbrak er ook nog aan! Brieven! Couranten ! Vervloekte kraam, welke iemand eenvoudig de rust verstoort. Ik wensch niet te weten, hoe het er daarbuiten uitziet, ik heb de brug achter me afgebroken. Of de mensehen met elkander plukharen of elkander verdragen, of zij met elkander kijven, elkander haten of beminnen, — mij raakt het niet meer. Hier eindigt de wereld, hier sterft haar rumoer weg. Ah — en dat is heerlijk, verwonderlijk heerlijk, 't Zijn allen gekken, die het zóó zouden kunnen hebben en zich tot lastdieren der wereld maken. Wat baat hun hun draven, jagen en haasten, de wilde, onbarmhartige strijd om een schijnbeeld? Zij beulen zich af, zij doen hunne korte levensdagen snel verloopen, zij hebben geen tijd om gelukkig te zijn. Gekken zijn zij, gekken! — Hier is het stil, en als het soms stormt en bruist, dan is het slechts daarbuiten vóór het huis, over den drempel waait geen giftadem meer."

En juist van den storm, den ruwen, wilden noorderstorm hield Koltitz het meest van alle. Hij noemde hem zijn hoforkest, zijn goddelijke kapel, welke enkel en alleen voor hem de wijzen van de tooversprookjes der oneindigheid speelde. Dan zat hij in den gemakkelijken leuningstoel bij het venster en luisterde.

Sluiten