Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Waarom zul je met eigen hand je vrede verstoren ? Kun je haar zelf niet bezitten, goed, dan moet zij ook geen ander toebehooren.

„Schrijf! schrijf! weer hem af, dat hij niet kome! Nog is het tijd!" —

En weder kijkt hij naar buiten, op het spiegelbeeld der vensterruit.

Erika leunt achterover in den stoel vóór den schoorsteen. Hare handjes rusten saamgevouwen in den schoot en de oogen zien, zalig droomend, een bloeiende, geurige lente tegemoet. Zij glimlacht. — Zóó heeft zij nog nooit uit de oogen gekeken; W igand is geen dichter, maar het is hem, alsof het jonge meisje op dit oogenblik een stuk heilige, belichaamde poëzie is.

Gloeiend heet schiet het in de oogen van den ernstigen man. Hij heeft een gevoel, alsof zijn hartebloed in bittere tranen door zijne ooghaartjes wil dringen en zijn borst krimpt samen, als verkeerde hij in doodsnood. — Korte, pijnlijke minuten.

Moet hij werkelijk tegenover zijn pleegbroeder een schurk worden, tegenover hem en tegenover haar ? Moet hij werkelijk tusschenbeide treden, om met ruwe hand de bloesems harer droomen te knakken?

Neen, duizendmaal neen. — De ontzegging is van kindsbeen af zijn lot geweest, zij heeft hem vergezeld tot op dit oogenblik en zij zal met hem gaan tot aan het einde zijns levens.

Waarom zal hij zijn lieven Joel een geluk misgunnen, dat hij zelf toch nimmer en in geen geval verwerven kan ? Hij is leelijk, niet begaafd, arm, zijn pleegbroeder daarentegen bezit alles, wat meisjesharten sneller doet kloppen ; hij, de door God begenadigde, plukt de rozen, en Wigand kweekt als trouwe hovenier de doornen, waaraan zij ontluiken. —

Hij schrikt op.

De Overste heeft zijn naam geroepen.

„Wat is er van uw dienst, lieve oom ?"

„Te drommel, ben je daar toch nog, mijn jongen!

Sluiten