Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zichzelf reeds weinig geestig gezicht niet bepaald tot voordeel strekte.

Bom — bam — bom — bam — bom — bam

wat zou haar daarbij invallen!

Plotseling sprong zij triomfeerend op en riep: „Dat 't zeven uur is, dat we eten kunnen!" En zij tastte haastig in de groote, wijd uitstaande zak van haar drillen rok en haalde een stuk brood voor den dag.

Erika lachte. „Ook de eetlust is een geschenk van Gods genade! Het klokgelui herinnert je dus alleen aan het uur van ontbijt. Verder! Zie daarboven aan den hemel de leeuwerikken en zwaluwen. Hoor je ze jubelen?"

„Ja, zóó is 't^eiken dag, als 't goed weer is."

„Versta je, wat ze zingen?'"

Doortje ontstelde. „Dat is goed ook, Juffer! Dat kan geen mensch!"

„Waaraan denk je, als je dat gelukkig gekweel hoort ?"

Weder een pauze van pijnlijk nadenken, daarop sloeg het meisje verlegen de oogen neder en zeide: „Ik denk steeds aan dat, wat mijn moeder altijd zegt —"

„Wat zegt zij?"

Doortje was verlegen en likte met haar breede tong over haar boterham. „Zij zegt, als de zwaluwen over je vliegen, kijk naar beneden, anders gaat het je precies als Tobias." 1)

Erika schaterde van lachen en de kleine deerne verheugde zich, dat zij een aardigheid had gezegd; dat kwam niet dikwijls voor.

„En bekijk die bloemen hier nu eens, die geurige, teedere, verrukkelijke bloesems, waarin de Elfen wonen en welke de liefde tot een krans vlecht! Wat denk je bij haar aanblik?"

De schaaphoedster staarde met een ietwat vijandigen blik op de kleine twijgen van het heidekruid des vori-

') Een vermogend Israëliet, die door zivaluwdrek, welke hem in de oogen viel, blind werd, omdat hij een onreine had aangeraakt.

Sluiten