Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der wilde sorbeboomen en maakte radijsjes schoon voor den avondmaaltijd. Haar blik sloeg angstig onderzoekend den horizon gade.

Wigand wilde verstrooid de kleine, gezette vrouw voorbijgaan, toen de witte neepjesmuts een opvallende beweging in zijn richting maakte. De jonge man keek op, in het roode, bolwangige gelaat der matrone, dat er uiterst bezorgd en bekommerd uitzag.

„Toef een oogenblik, waarde Heer!"

„Nu, welk bezwaar heb je, moedertje?"^

„Ik kijk naar den hemel, Heer," zeide zij zuchtende.

„Uit vromigheid?"

„Neen, uit ellendige bangheid. Ik houd het er voor, dat we heden nog onweer krijgen?"

Wigand haalde de schouders op. „De barometer duidt het aan."

„Dan moet ik naar huis!"

„Naar huis?... in 't dorp?"

De oude knikte gejaagd. „Mijn Ali is zoo bang bij onweer!"

Je Ali?"

„Mijn lieve, kleine hond," zeide vrouw Hagen opgewonden knikkende. „Den laatsten keer heeft de bliksem me bijna doodgeslagen, en ik ben tot op mijn huid nat geworden, want ik moest er door, Ali is zoo bang

voor den donder!" A .

„En nu moet ik je dezen keer het onweer tijdig aankondigen?" vroeg Mijnheer von Landen glimlachende.

„Als ik u verzoeken mag!"

„Gaarne, moedertje." .

Hij ging verder. De oude vrouw was een ongineele. De Hemel had het echtpaar Hagen geen kinderen geschonken, daarom nam de hond Ali bij hen de plaats van een kind in. Ali was een monster, zoowel wat zijn uiterlijke, als zijn innerlijke waarde betrof. Zijn stamboom was zoo oneindig dikwijls geënt, dat geen takje meer op het andere, en geen enkel meer op het

Sluiten