Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met onbeschrijfelijke smart bespeurde de pleegmama, dat het haar Ali in het heerenhuis niet bijzonder beviel. De verschillende groote honden ergerden hem te veel, de trappen waren voor zijn corpulentie te hoog en de tuin kwam hem ongewoon en onaangenaam voor.

De ellende bereikte evenwel eerst het toppunt, toen de jonge heer Eikhoff het huis betrad, loen philosopheerde Ali: „mijn rust is weg, mijn hart is bedroefd." Toen zijn eerste aanblik den jongen heer tot zulk een spottend lachen aanleiding gaf, dat vrouw Hagen het hart van innig verdriet in het lijf omdraaide, waren Ali's goede dagen ten einde. Hij was en bleef het mikpunt van alle plagerijen, mishandelingen en schoppen van den onbeschaamden heer.

Toen konden het de ouders niet meer aanzien, dat hun „kleintje" doodgeërgerd en gesard werd, zij wisten heldhaftig zichzelven te verloochenen en gaven Ali in den kost bij grootmama, vrouw Doortje's moeder, die het verlaten huis in het dorp beheerde.

Toen ging het hem opnieuw goed, en dewijl vrouw Hagen wist, dat de zenuwachtige zoon gedurende een onweder bang was, was zij de laatste maal bezorgd met fladderende mutsenbanden in een onweersbui de deur uitgevlogen, wat haar weken bedlegerig had gemaakt. .

Sinds dien tijd haatte Doortje den jongen heer Eikhoff, en zag met oneindige verkropte woede, dat de modegek zich den laatsten tijd veel te veel met juffrouw Erika bemoeide, meer, dan den wakkeren, algemeen zoozeer beminden Baron aangenaam kon zijn.

De dorpelingen hadden in gedachten reeds uitgemaakt, dat de goede God de juffrouw en den Baron tot een paar had bestemd, en omdat zij oordeelden, dat het tusschenbeidetreden van Joël een onbevoegd inbreukmaken op oudere rechten was, sloegen zij in vijandige spanning de teedere draden gade, welke god Amor gaandeweg duidelijker om de jongelieden spon.

Sluiten