Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bliksemstraal op bliksemstraal flitste aan den hemel, de donder kraakte boven hunne hoofden, daar hiel Wig-and hare slanke gestalte op en droeg ze over het saamgevloeide water vóór de trap als een kind in huis. De Overste ontving haar met toornige verwijten, onder welke men zijn beangstigd vaderhart hoorde kloppen; Mevrouw Koltitz was bleek van ongerustheid en sloeg met teedere klachten de armen om haar eenige. Joel alleen stond, de handen in de zakken van zijn jas, met dien lieven, spottenden glimlach om de lippen, welke hem zoo dikwijls eigen was, ter zijde.

„Te duivel, nichtje, gij ziet er waarlijk uit als de schoone Melusine." zeide hij gekscherend; „hebt gij in den regen willen hengelen, of houdt gij dikwijls op

die manier „Zaterdag" ?" .

Zij sloeg de oogen op en keek hem vlak in het gezicht; haar gelaat schitterde als dat van een verheerlijkte. „Men zegt, dat er met den bliksem vonken regelmatig uit den hemel vallen, zulk een goddelijke

vonk wilde ik opvangen."

„Hebt gij ze? Naar ik hoop zonder brandblaren.

Hoe zonderling glimlachte zij. „Ja, ik heb ze, en zoo God wil moet zij een gansche wereld in vlammen zetten!w

De onweersbui was overgedreven. Koel en vochtig van den regen waaide de lucht door de afdruppelende struiken, heerlijk verkwikkend en zoo balsemachtig, alsof de millioenen bloemkelken der heide hare zielen in een diepe zucht van verrukking hadden uitgeademd.

De maan kwam op. Hare stralen omzoomden de wolken met een breeden zilveren rand, sterren begonnen te fonkelen, de nachtvlinders fladderden met loome vleugels om de lamp, welke in de veranda van het

huis brandde.

Het was een verrukkelijke avond. De Overste leunde achterover in den mandestoel en keek met een aandoening van oneindig welbehagen naar buiten in de vreedzame wereld Gods.

Sluiten