Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wigand!"

„Oomlief?"

Hij omklemt krampachtig de handen van den jongen man.

„Er wordt aantreden geblazen, mijn jongen!"

„Gekheid, oompje! De aanval is dezen keer heviger dan ooit, maar hij gaat voorbij evenals al de andere."

De kranke schudt opgewonden het hoofd.

„Ik voel het, ik voel het, Wigand!"

„Wat zal er van worden, als ik weg moet?"

„Het zal alles blijven, zooals het is."

„Je verlaat mijn arme vrouw en mijn kind niet?"

„Niet, zoo lang zij me noodig hebben."

Er heerscht een oogenblik stilte, Wigand droogt liefdevol het voorhoofd van den lijder af, waarop de zweetdroppels parelen.

„Zij behoeven steeds je trouw, steeds. Vóór alle dingen Erika. Ik ben niet gerust ten opzichte van Joël. Ilè stel geen vertrouwen in hem, hij deugt in 't geheel niet. Wigand, mijn kind moet gelukkig worden, "Morden/ Zij verdient het, zij is te goed voor een lichtzinnigen kwast. Jij wilt hier in Ellerndörp blijven ? God zegene je daarvoor. Geef me je hand, mijn zoon; beloof het me, geef me je woord, dat je voor Erika's geluk waken zult! Och, dat je me op dit oogenblik in het hart kondt zien. Een stervende mag wel zonder omwegen spreken, ik ben een stervende. Wigand verlaat mijn Erika niet, en als. . . als je ze kunt beminnen, maak ze tot je vrouw. Dan zal zij goed geborgen zijn en ik kan in vrede de oogen sluiten. Wigand, zie me aan, beslist, oprecht, de lieve God hoort je woorden, heb je mijn Erika lief?"

Een siddering vloog door de gevouwen handen van Landen, hij boog het verbleekende hoofd voorover, driftig wierp hij zich op de knieën en drukte eenige seconden het voorhoofd op het koele linnen. Vervolgens keek hij op, in de oogen van den stervende. Zijn gelaat schitterde als verheerlijkt.

Sluiten