Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn lied een aangename klank uit het vaderland is.

Een jong, allerliefst echtpaar Riedel voltooide den charmanten familiekring, waarin Joël werd binnengeleid, en toen na afloop van het middagmaal de zon ter kimme neigde en de frissche zeewind heerlijk verkwikkend over de veranda streek, stond de Heer des huizes op, om aan het verzoek van zijn gast te voldoen en hem met de bezitting Goedland door een rondgang bekend te maken.

De dames sloten zich bij het gezelschap aan, op de allervriendelijkste manier verzekerende, dat het een genot was, dat zij zich eiken avond veroorloofden, van de hoogte der wijnbergen het schoonste van alle panorama's te bewonderen.

Al dieper en dieper zonk de zon. De blauwachtige schaduwen der schemering trilden als Leucathia-sluiers over de zee, om vermoeide schepelingen op den weg naar huis voort te stuwen.

Daar het, volgens het oordeel der heeren, te laat was geworden om de reusachtige kelders nog te bezichtigen, wilde het kleine gezelschap juist den weg naar de villa weder inslaan, toen Joël luisterend het hoofd ophief. — „Vergis ik me, of is het muziek, welke mij van het plein tegenklinkt?" vroeg hij levendig.

De jonge Mevrouw Riedel glimlachte. „Het is Spiro Malia, onze kamermusicus!" zeide zij schertsende, „Mavrodaphne heeft zijn plicht gedaan en hem bezielt, nu brengt hij hem zingende zijn dank!"

Daphne! — de naam electriseerde Joël. Hij had zich reeds tot vertrek omgewend; thans talmde hij.

„Wie is Mavrodaphne?"

„Een wijnsoort, waarde heer Eikhoff —" zeide Hamburger, een loopje met hem nemende, „geen schoone godin, zooals gij wellicht vermoedt!"

„En desniettemin waard een godin te zijn!" — hernam Joël beleefd, „het is een fout in onze Duitsche taal, dat men den wijn van het mannelijk geslacht heeft gemaakt. Zijne eigenschappen zijn zoo volkomen

Sluiten