Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liun weerschijn over muren en steenen, over de fluisterende takken en de menschen, welke in schilderachtige groepen er onder zaten.

In de onmiddellijke nabijheid van de keldertrap, naast een stapel ledige vaten, rustte in halfliggende houding een jong mensch, arm en behoeftig, maar toch met dien fantastischen smaak gekleed, zooals men dien in het Zuiden zoo dikwijls kan aantreffen.

De beenen waren tot de knie naakt, bruin en fijngevormd als die van een meisje. Een korte, zakvormige wijde broek, gestikt buis en bloote armen, zooals de meeste mannen van de Cycladen. Het hoofd droeg uitsluitend zijn natuurlijk tooisel, een schier woesten overvloed van schitterende zwarte lokken, welke een smal gezicht omschaduwden, dat zacht, goudkleurig brons getint scheen.

Het avondlicht verheerlijkte de slanke, ietwat vermagerde gestalte, en de scherpe, buitengewoon krachtige gelaatstrekken lagen met geslotene oogen zoo onbewegelijk als in den slaap.

En toch klopte het heete, kokend heete bloed van onbegrensde hartstochtelijkheid in de aderen van dat marmeren beeld, omgezet in tonen en klanken, in melodieën vol overweldigende toovermacht, in liederen, welke als een stormwind over sidderende harten bruisen, welke zuchten, snikken en zalig zijn, liederen, waarvoor nog geen mond de woorden gevonden heeft.

De tengere handen voeren den strijkstok. Hij suist over de snaren der viool, zij klinkt, tintelt, juicht, elke toon is een gouden parel, juist zulk een gouden parel als de droppels van den wijn, welke in het hooge glas naast hem fonkelt. — — Mavrodaphne!

Sluiten