Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Pegasus?"

„Een achterkleinkind ervan, een prachtige bruine merrie met witten achterpoot!"

„Aangenomen. Dus te paard."

„Maar hoe te paard! — 't Was een heldere lentedag, een dag, welken Homerus reeds op zichzelf goddelijk zou genoemd hebben. Warm, geurig, stil en goudkleurig tot in den hooggewelfden hemel. Riedel en ik wilden juist een kleine morgenwandeling in de wijnbergen doen, toen een buitengewoon kleine stoet op den straatweg onze blikken en voeten boeide.

„Hoog te paard gezeten naderde een rijderes. Maar geen van die, zooals wij er — in een grijzen regenmantel of Engelschen plaid — reeds zoo dikwijls zagen komen. Wij dachten in het eerste oogenblik, dat het. een maskeradegrap was. In een langfladderend, wit gewaad, het hoofd in een ragfijnen sluier gehuld, troonde een elfenachtig slanke gestalte in den zadel. Om den hals van het paard slingerden zich bloemguirlandes, bloemkelken waren op het kleed der rijderes bevestigd. Naast haar reed een dienstbare, die het platte, Chineesche zonnescherm boven hare gebiedster hield, maar ook het scherm leek een troonhemel van bloemen en liet zijne geurige ranken om het hoofd der amazone waaien, zooals een zonderlinge lijst een portret omgeeft. Te voet, naast de dame, gingen twee heeren, die er zeer elegant en gedistingeerd uitzagen, en zooals het scheen, een allervroolijkst gesprek met haar voerden.

„„Die is bepaald krankzinnig!" was het eerste woord, dat er in de hoogste verbazing van Riedels lippen kwam, maar ik geloof, dat het hem diep berouwde; toen het bekoorlijkste vrouwengelaat zich glimlachend groetende naar hem toekeerde."

„Op mijn woord, ik stond verpletterd!" zeide de genoemde glimlachende.

„Goed. De zonderlinge cavalcade maakte voor ons halt, nadat de vreemdelingengids onze souvereiniteit

Sluiten