Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wit en goud. Duiven vliegen er met schitterend gevederte rond, houden de draperiën en de vergulde bloemtakken der kroonkandelaars op, zitten trekkebekkend op de - sopha- en stoelleuningen en nestelen in het mirtenloof, waarover zich een waaierpalm buigt.

Ettelijke dragen rozen in den bek, andere briefjes of kleine muziekbladen, nog andere, welke liefkoozen met rooskleurige cupido's. Ook ligt er een duifje, door een pijl getroffen, stervend onder witte rozen, welke in buitengewone menigte en schoonheid — ongetwijfeld zeer dikwijls door den tuinman vernieuwd — op vergulde consolen geuren.

Duiven van allerlei soort en vorm, witte, lieve duifjes zonder gal. Juist, hier draagt zulk een gevleugelde bode, van het plafond naar beneden zwevende, de oudduitsche zinspreuk aan de roode pootjes.

„Minne sunder Arg, Ros dne Dom — Tuben sunder gallen /"

Welk een eigenaardig vertrek! Joël voelt zijn hart zoo onstuimig kloppen, alsof rozen, duiven en vuurvlammen haar overmoedig spel er mede dreven!

En nog eenmaal verder ! Een klein, veelhoekig salon, zeker het inwendige van den toren, welke het front van het huis op den hoek der straat verdeelt.

Aha! geheel Oostersch.

Vóór ramen met gekleurde ruiten zijn zware tapijten weggeschoven. Tapijten hangen stijf tegen de acht wanden naar beneden. Tapijten en huiden bedekken, dikwijls twee, drie op elkander, den grond. Divans staan in de rondte. Waterpijp, chibouque, sierlijke wierookvaten, vederwaaiers, sierlijk uitgespreide waaiers van pauwen vederen schenken het koloriet.

Naast een der divans staat een ijzeren kleine tafel van Oostersche bewerking. Een spirituslamp brandt er op, een aschbak met eindjes sigarette staat er naast, insgelijks een kleine kristallen flesch vol rooden, fonkelenden wijn en een halfgevulde roemer.

Het bont gewerkte zijden kleed, dat de voeten van

Sluiten