Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Ellerndörp eensklaps vóór zijn geestesoog opduikt.

Hij ziet terug op het uur, waarin hij vóór de deur er van stond en Erika hem vaarwel zeide.

Hare oogen keken hem zoo vol innige, trouwe liefde, zoo vol roerende, ernstige smart, helder en rein als sterren der onschuld, aan. De hand, welke zij hem reikte, beefde, en haar afscheidsgroet was een zegenwensch. En heden scheidt zij andermaal van hem, — heden staat zij op den drempel van zijn vaderlijk huis, alleen, veronachtzaamd, een onschuldig taeleedigde en gekrenkte. Maar hij is te traag, om een trap af te dalen, om haar een enkel vriendelijk woord mede op reis te geven.

Indien Joël nog in staat was te blozen, dan deed hij het zeker in dit oogenblik. Hij kan het evenwel niet meer, hij blijft ook roerloos op de chaiselongue, waarop hij zich heeft geworpen, liggen.

Dat zij vertrekke! — — en desniettemin het is

hem op dit oogenblik wonderlijk te moede. Hij gevoelt iets als lafheid, als angst. — Het lot is zoo rechtvaardig, het bezoekt en straft zonder erbarmen. Waarom loeit de storm daarbuiten? Wil het thans reeds lente worden? — Neen, nog lang niet. De ijskorrels kletteren tegen de glasruiten, een koude luchtstroom strijkt van het venster over zijn gezicht.

Joël bibbert, hij is zoo vermoeid, het is of er lood op zijne oogen ligt.

Waar is hij ? — Sneeuwstorm! rondom de uitgestrekte, eenzame heide. Hij worstelt ellendig, doodelijk afgemat

naar het verwijderde lichtschijnsel. Verder altijd

nog verder.

Daar ligt Ellerndörp. Hij waggelt naar de huisdeur, hij klopt met koude, verstijfde handen, hij roept als een stervende: „Erika! erbarm je! —- doe me open!' maar het blijft stil. „Erika!" jammerde hij, „Erika!" geen klank, — geen antwoord, zacht klinkt hem alleen uit het huis een geluid tegen als van een vroolijk

Sluiten