Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar toch zóó tusschen bloemen en loof verborgen was, dat Joel het soort niet kon herkennen. Naar het gekweel te oordeelen moest het een kanarievogeltje zijn, dat een vaardige hand mak gemaakt en afgericht had. De zangeres op de mosbank en de gevederde kleine makker op den tak schenen een verrukkelijk muzikale samenspraak te houden, want zoodra de schoone vrouw met verlokkelijk zoete stem een Grieksch minnelied aanhief, fladderde het vogeltje boven haar en floot met trillers zijn antwoord.

Zij scheen zich in het struikgewas aan de oevers van den Atheenschen Uissus te droomen en zong met Aristophanes:

„Gij, allerliefste kleine!

Mijn allerliefst vogeltje,

O, nachtegaal, mijn speelnoot!

Komt gij ? Komt, verschijnt gij ?

Brengt gij aanminnige liederen meê?

Zoete lentemelodieën, welke gij Met liefelijke keel kweelt!"

De kleine zanger wiegde zich op een zwakken lauriertak en kwinkeleerde een schellen lentejubel tot antwoord; Daphne evenwel greep droomerig weder in de snaren en klaagde op fluisterenden toon in het Duitsch:

„Als mein Liebster schied von hier Einen Ring er schenkte mir — —"

Joel kende dat volkslied. Stil trad hij vooruit aan hare zijde, boog de knie en vatte haar hand:

„Hiit ihn wohl, sprach er dabei,

Ewig bleibt mein Herz Dir treu —

Nachtigall, Nachtigall,

Süsz ist Deiner Stimme Schall!"

Zij slaakte een zachten kreet van schrik, zooals hij had verwacht. Langzaam keerde zij hem het schoone

L

Sluiten