Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonderling plechtig en ernstig, volmaakt alsof engelenstemmen van het kerkje naar omlaag riepen.

De boerenlui naderden vroom. De vrouwen meest in het zwart gekleed, met witte doeken om het hoofd gebonden, op dezelfde manier als eens hare bed- en overgrootmoeders geloopen hadden. Het groote schilderij in de kerk, dat de lang reeds overledene en vergetene familie van een landheer voorstelde, gaf dezelfde vrouwengestalten te aanschouwen, zooals zij ook thans nog vroom en stil in de kerkbanken met stijve leuningen zaten.

Op de zandheuvels vóór den muur van den Godsakker verzamelden zich de kinderen.

Zij staan verkleumd, met roode, strakke wangen, de kleine handen zorgvuldig in de schortjes of punten der bouffanten gewikkeld.

Zij luisteren naar het luiden en steken de kopjes nieuwsgierig vooruit, als de kerkdeur opengaat om nieuwe godvruchtigen binnen te laten. — Zij zouden zoo gaarne de beelden op het altaar en de rijen lichtjes eens zien, welke op het Kerstfeest helder brandend van den zolder afhangen.

Het orgel begint te spelen; luid, krachtig-aanzwellend bruisen de vrome wijzen daarheen, als drongen zij met geweld uit de voegen en scheuren van den grauwen muur. — De kinderen vouwen de handen en de oude vrouwen, die door de deur binnentreden, neigen, alsof Gods stem haar had geroepen.

Van het heerenhuis nadert de familie.

Mevrouw Koltitz met den langen, somberen rouwsluier aan den arm van den Baron, daarnaast rooskleurig, frisch en glimlachend als een Engelengelaat Juffrouw Erika.

Zij kent de kinderen en knikt hen vriendelijk toe, laat zich de kleine handen, welke blauw zijn van de koude, toesteken en fluistert een paar geheimzinnige woorden.

„Komt later een stukje Zondagskoek halen!"

Sluiten