Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Melusine neemt hem met een bijna beleedigenden glimlach op, in haar blik gluurt een slang, welke naar een slachtoffer lekt. Het slachtoffer is er. Doch hij merkt het niet, zijn hoofd is beneveld, alsof hij dronken is, de tong kleeft aan het gehemelte en de haren liggen vochtig en koud op het voorhoofd.

Hij wil spreken, schertsen, zich gemeenzaam onderhouden, zooals op den avond der première van de Lurley, hij kan het niet. Het gorgelend geluid zijner woorden verraadt den storm, welke er in hem woedt, en hij wil toch kalm, zeer kalm schijnen.

Ten einde een onderhoud te vermijden, treedt hij naar het scherm en gluurt door het kijkgat.

Het golft en dwarrelt in de kleuren van den regenboog vóór zijnen blik. Overal kwaadaardige, ijverig debatteerende of ontzettend koude en onverschillige gezichten. Bekenden zijn toch zoo goed als volstrekt niet aanwezig. Onder de muziekkenners schijnen de „Liederen van den onbekende" evenzeer de brandende vraag van den dag, het levendig besprokene thema te zijn.

Joël krimpt zenuwachtig ineen. Achter hem raast en dreunt het. Men brengt het tooneel in orde. — De coulissenschuivers loopen heen en weder, — de componist der „Melusine" heeft een gevoel, alsof men zijn schavot opslaat.

En de minuten vervliegen. — De kapelmeester tikt op den lessenaar.

Joël heeft voor zich een stoel in het coulissenhoekje naast het scherm geschoven; hij ziet alles, maar hij wordt niet gezien.

Doodelijke stilte. De tegenwoordige avond is een voorval; hij brengt het tweede werk van een jongen meester, dien een ongehoord enthusiasme al te voorbarig met de lauweren der hoogste verdienste kransde, thans schoot er een bliksemstraal uit den helderen hemel en rukte dezen lauwerkrans van zijn hoofd.

Men legt Joël Eikhoff openlijk ten laste, dat hij zich

Sluiten