Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met een valschen stralenkrans getooid, met het geesteliik eigendom van een vreemde verrijkt heeft.

De „Melusine" zal leeren, of hij dat verwijt verdient, of hij een charlatan der kunst of een van die echte door God begenadigden is, wier stralenkrans zelfs de nijd en de wangunst eener gansche wereld niet verduisteren kunnen!

De ouverture begint. Niet zooals bij de Lurlej met schitterende originaliteit inzettend, maar ernstig en matig langzaam, zonder bijzondere eigenaardigheid. Een melodie is er zoo goed als niet uit te hooren; is Joël slechts zenuwachtig, ongeduldig, of heelt de muziek inderdaad zulk een vervelende uitwerking. Hij wischt de parelende zweetdroppels van het voorhoofd en lijdt folterpijnen.

Eindelijk de laatste toon. — Een koude huivering rilt door de ledematen van den componist. Zullen nu de bijvalsbetuigingen evenzoo losbarsten, als toenmaals na de Lurley-ouverture ? .

Neen. Diepe stilte. Een paar handen bewegen zich tot een matte bijvalsbetuiging, maar zij sterft onmiddellijk weg.

Het scherm gaat met geraas in de hoogte.

Het koor zet frisch en opgewekt in, maar het is, alsof het zich niet recht in die stemming kan houden, alsof iets onzichtbaars, iets als lood het geluid nederdrukt.

En dit onzichtbare drukt ook op Joël. Zijn flinke, aan zegepraal gewone gestalte zinkt ineen, het hoo d hangt slap op de borst, zijn blik staart dof op het

tooneel. „ . ,

Zingt thans de Melusine? Neen, dat is haar stem niet, zóó kan een zangeres als zij een aria niet naar beneden trekken en mishandelen. — Sleepend en triviaal draagt zij eentonig een solo voor, welke vurig, vol frisschen gloed werken moet! — En precies, alsof hare matheid al de anderen aansteekt, trekt zijn Melusine als het oppervlakkigste en onbeduidendste gezang over het tooneel.

Sluiten