Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

barmhartigheid woont, welke zijne doodelijke wonden goedhartig verbinden zal!

Waar evenwel vindt hij zulk een diepe, door de wereld vergetene eenzaamheid?

Daar duikt het eensklaps als een visioen vóór hem op. Hij staat op de doodelijk stille door de zon vergulde heide. Hij loopt den eenzamen weg langs als vóór twee jaren. Alleen de vogelen jubelen boven zijn hoofd aan den wolkenloozen hemel, alleen de heidebloemen geuren vreedzaam vóór zijne voeten.

Daar treedt hem een meisjesgestalte tegemoet, half kind, half Engel. Gouden zonneglans omstroomt haar teedere gestalte en het liefelijke gelaat wendt zich naar hem toe en wekt glimlachende vrede in zijn ziel.

Erika! Erika!

Joël breidt eensklaps de armen naar het beminnelijk droombeeld uit. Een pijnlijk, brandend verlangen vervult zijn hart, een onhoudbare onrust grijpt hem aan en lokt hem als met toovermacht.

Tot haar! Tot haar heen! Daar in het door de wereld vergeten heidedorp woont vrede en rust, daar woont de genezing voor doodkranke zielen!

Wat hem eertijds een ballingsoord, een dal van siddering en doodschheid toescheen, waant hij thans een paradijs van hemelschen vrede te zijn.

Zal Erika, zal Mevrouw Koltitz hem de deur wijzen, wanneer hij als bedelaar, met knikkende knieën aanklopt en om erbarming smeekt?

Neen, Erika bemint hem! En wier hart zich aan een Joël Eikhoff heeft overgegeven, dier liefde en trouw behoort hem onwankelbaar zijn leven lang.

Noch eenmaal heft de oude ijdelheid en het zelfbewustzijn, in den doodsstrijd stuiptrekkende, het hoofd op. Nog eenmaal klampen zich hoop en geloof aan de liefde vast, welke den zinkende niet verlaten zal. Joël wacht het volgende uur niet meer af.

Den hoed diep in de oogen gedrukt, ontvlucht hij wereld en menschen, — naar Ellerndörp.

Sluiten