Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En weder breidt zich de roodbloeiende heide uit vóór zijn blik.

Als eenzaam wandelaar springt hij uit den postwagen en stapt vermoeid en geknakt over het stille land op het verwijderde heerenhuis af.

Niemand moet hem zien, onverwacht, bestofd en afgemat wil hij aan de deur kloppen, — een bedelaar.

De zon is ondergegaan.

Voor de laatste maal heeft haar purperen schijnsel het ingevallene, verouderde gelaat van den jongen man met een zachten weerschijn verguld, daarop strijken de schaduwen grauwer en dieper over de eindelooze vlakte. De maan verschijnt helderder in het azuurblauw des hemels en de eerste sterren schitteren als vriendelijke oogen boven het verwijderde pijnboomenwoud.

Hoe zuiver, hoe geurig waait de lucht.

Een onweder heeft de hitte van den dag afgekoeld, aan de halmen en bloemtrossen schitteren nog heldere droppels, zacht en onbestoven buigt zich het aardrijk onder zijne voeten.

Welk een plechtige stilte. Joel herinnert zich, sinds jaren geen kerk meer bezocht te hebben, thans, in dit uur, is het hem te moede, alsof hij vóór Gods hoogaltaar stond.

Een diepe, vreemde kalmte komt er over hem. De duisternis zinkt met grauwe sluiers over het land, en Joël zet zich op een grenssteen neder en sluit droomend de oogen.

Nu trekt zijn gansche bedriegelijk, onbeduidend en nutteloos leven als een verwarde doodendans voor hem heen. Hij heeft met begeerige, gewetenlooze handen naar het hoogste doel gegrepen, hij wilde een kunstenaar zijn, hij wilde Gods genade met geweld verkrijgen en vergat daarbij den genadigen God.

Toen werd de heilige vlam tot een dwaallicht, dat boven moerassen zweeft. Dat lokte hem van den weg

Sluiten