Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toespraak gehouden op 27 Februari 1910 tot

Ds. W. DE LANGE,

bij zijn afscheid van de Gemeente van Rhenen, door Ds. W. R. Boerendans.

Waarde Ambtgenoot.

't Zij mij vergund van deze plaats een enkel woord tot U te richten.

Gij hebt uw laatste woord als Herder en Leeraar tot onze gemeente gesproken, eene gemeente, die gij ruim 14 jaren hebt gediend.

't Is den kerkeraad eene behoefte U, en in U ook uwe echtgenoote, te danken, voor alles, wat gij voor onze gemeente geweest zijt en gedaan hebt.

Uwe prediking getuigde, telkens als gij voor onze gemeente optraadt van een' degelijken inhoud; onze gemeente zal straks ook rekenschap moeten geven van wat zij gedaan heeft met de woorden, die gij, tijdens uwe 14 jarige ambtsbediening, tot haar liebt gesproken.

In de notulen van onzen kerkeraad vond ik opgeteekend, dat de tekst, waarmede gij in onze gemeente intreê deedt was ontleend aan Jesaja 40, deze woorden:

„Een stem zegt: Roep, en hij zegt: Wat zal ik roepen ? Alle vleesch is gras, en al zijne goedertierenheid als een bloem des velds."

Gij hebt de waarheid van dat Woord, in die ruim 14 jaren uwer ambtsbediening in onze gemeente, ruimschoots bevestigd gezien, niet 't minst in de laatste jaren, waarin zoo menigeen uwer trouwe vrienden is heengegaan.

Gij ziet de waarheid van dat Woord ook thans in uw

Sluiten