Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Waar was-t-ie... ? Kèk nou 'es, op den grond..." Oud-grootje raapte liem op, vergat toch poes te beknorren.

Het verdriet was er nog... „Ja, als je met je eigen eenigste dochter kwaje vrinde ben, o, dat is zoo verdrietig... En dat op je ouwe dag! Maar ze moeste toch denke, dat ze een oud mensch was, — ja, dat moeste ze..."

Veilig, in 'n hoekje van de vrije banken zat oud-grootje makkelijk in elkaar gedoken, op den dominee te wachten.

't Liep vol; 't werd een drukke beurt, maar in haar hoekje trok zij zich van 't onrustig heen en weer geloop, van 't gezoek en gekijk der menschen, die een goed plaatsje wenschten, weinig aan, keek er niet naar, zat maar stil voor zich uit te staren en te peinzen.

Haar verdriet was ze wel weer een weinig vergeten . . . straks, even nog, had 't haar pijn gedaan, toen ze na haar gebed opgekeken had en een bekende hoed meende te zien, ginds in de vrouwenbanken:... „Riek?... d'r dochter? Ach neen, hoe kon dat nou? Die kwam nou immers in geen kerk of kluis meer". ..

Ze had gebeden, oud-grootje, d'r handen op d'r kerkboek in haar schoot, lang en oprecht gebeden; alleen dat ééne, dat verdriet... neen, dat had ze niet kunnen uitspreken tot haar Heer, omdat, omdat... ja, omdat?...

„Neen, maar ze kon en ze wou de minste nou niet 'es zijn... 'n ouwer x) moet niet altijd de minste zijn."

1) Ouder.

Sluiten