Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En toen was 't toch geweest, of haar gebed weer neer viel, niet kon stijgen tot den Heer, die in heiligheid troont...

Nu zat ze te peinzen. Door 't hooge boogvenster tegenover haar viel het wemelend gouden zonlicht binnen; en in 's kosters tuin staken de boomen hun zacht-ontbottende takken hoog op tegen de lichte lucht.

Die boomen, waren oud, en de kerk was ook oud, veel ouder nog dan oud-grootje...

Toen moest ze opeens terugdenken aan lang, lang vervlogen jaren, toen ze nog meisje was. Dan, op zonnige Zondagmorgens, had ze ook zoo vaak door het raam naar de vriendelijke boomtoppen zitten kijken, en had ze niet altijd geluisterd naaide preek; dan had ze vaak zitten droomen van al het heerlijke en gelukkige, dat in haar mooie leven nog komen moest... Ze kende ze nog wel, diezelfde boomen van 's kosters tuin, waarvan je alleen maar de toppen zag, en die haar bijna altijd weer aan 't droomen en denken brachten, alsof daar een mooi, geheimzinnig bosch was achter dien witten kerkmuur ...

Van haar mooie leven had ze zoo vaak gedroomd in de zonnige kerk, toen ze nog niet wist of niet weten wilde, dat haar leven toch in 's Heeren dienst alleen waarlijk gelukkig kon zijn.

En nu klagen over dat voorbijgegane leven ? Neen, dat mocht ze niet. Haar leven was wel moeilijk geweest, vol zorgen en vol verdriet en van al dat heerlijke en gelukkige was o zoo weinig gekomen, maar — klagen ? Neen. — Ze had een goeie, brave man gehad — wat was-t-ie noh toch al lang dood —

Sluiten