Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze had aandachtig geluisterd, toen de „prefesser" die altijd weer mooie Paaschgeschiedenis vertelde, hem de woorden uit den mond gekeken.

Maar — langzamerhand was haar hoofd zoo moe en waren haar oogen zoo zwaar geworden; soms was 't, alsof ze van den preekstoel nog alleen maar den glimmenden koperen arm zag, die den Bijbel droeg; soms was 't, alsof zij zelf langs de schuine zonnestralen, die binnenvielen, heel langzaam al dieper en dieper afgleed... dan schrok ze op, rukte haar hoofd omhoog, luisterde weer. . . Hè, die zon scheen zoo vlak in haar oogen, en toch werd 't dan zoo rustig en warm in oud-grootjes moede hoofd.

Of 't nu was van dat vroege opstaan vau morgen, of van al die moeilijke woorden vau den dominee, die ze niet goed begrijpen kon, of van het inspannende luisteren, wist ze niet, maar telkens merkte ze, dat ze niet meer oplette, hoe ze haar best ook deed ...

Van Maria „meenende, dat het de hovenier was," sprak de professer en wéér spande Sientje zich in: „Dat was zoo mooi!"

Maar toen kwamen weer van die lange zinnen, waarvan Oud-grootje 't begin reeds vergeten was, eer ze ten einde waren. En al de andere menschen luisterden toch wèl... Foei, ze schaamde zich. Die paar jongens daar luisterden ook niet; nou ja, dat waren nog maar kinderen. Foei,... zij, een oud mensch; luisteren moest ze!...

Strak en star spanden zich haar oogen. .. Die zon, die zon, ...en dan die slaap.

Langzaam was ze ingedut in d'r hoekje.

En Oud-grootjes gedachten verwarden in vreemd gedroom.

In een heerlijk zonnig bosch zat ze te wachten

Sluiten