Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Paaschpotje, den vorigen dag reeds klaargemaakt, maar vlug opgewarmd; had niet veel smaak van d'r eten gehad. Dat ééne — daaraan dacht ze maar aldoor...

Ze was gegaan, 't Was wel moeilijk geweest. Ja, in 't gebed iets beloven was zooveel makkelijker dan 't doen, maar — de Heer had haar geholpen. Wat was 't goed afgeloopen. ..

Straks was nog even over die „vijf weke" gepraat, maar Jan had toen robuust gezegd: „Nou, late we nou maar geen ouwe koeie uit de sloot hale," en Riek had alles gedaan om 't d'r moeder maar naar den zin te maken... Ze had 't wel gemerkt, Oud-grootje.

En — als ze nu aan die ruzie terugdacht, dan kon ze 't zichzelf niet goed begrijpen, dat ze toen zóó geweest was: ,,'k Kom nooit meer bij jullie... en jullie hoeft ook niet meer bij mijn te komme, hoor... dèr, d&t zeg ik... Yan God nog gebod wille jullie wete..." Ach — zóó erg was 't toen toch niet gemeeud.

Wat was ze blij, dat alles nu weer goed was.

Maar — d'r boodschap dan? Oud-grootje leefde in 't heerlijk licht van Gods liefde en daardoor juist zag ze 't leven van haar kinderen zoo somber en donker... O, zij moesten dat groote geluk ook leeren kennen.

Op haar lippen had 't gebrand, brandde 't nog, om 't ze toch te zeggen, dat heerlijke, dat groote, dat bijna niet te zeggen was... O, als ze ook dien Heiland eens moesten liefhebben. . . dat ze bidden moesten om genade, dat Hij leefde in den hemel en niemand verstootte, die tot Hem bad...

Maar oud-grootje had gezwegen. Ze begreep, als

Sluiten