Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Algemeene beschouwingen

Inleiding

anneer eene administratieve rechtspraak tot stand komt, zal ons land dit in de eerste plaats te danken hebben aan den invloed dien de hoogleeraar Buys door verschillende geschriften heeft uitgeoefend". Zoo schreef de bij Koninklijk Besluit van 16 September 1891 n°. 14, benoemde Staatscommissie tot voorbereiding der uitvoering van de voorschriften der Grondwet, aangaande de regeling van de Administratieve Rechtspraak, in het Verslag, dat zij op 15 Mei 1S94 aan Hare Majesteit, de Koningin-TV eduwe, Regentes van het Koninkrijk, aanbood. Hooge lofspraak voorwaar, en ten volle gerechtvaardigd! Want aan den verscheiden hoogleeraar komt de onvergankelijke eer, het probleem der administratieve rechtspraak gesteld, zijne beteekenis ontvouwd en zijne oplossing voor een goed deel voorbereid te hebben.

In grooten getale zijn voorhanden de werken van allerlei omvang, aan de administratieve rechtspraak hier te lande gewijd. Het voortreffelijke V erslag der Staatscommissie vormt de kern eener uitgebreide vaderlandsche bibliotheek, in wier catalogus de namen Buys, van Idsinga, A os, Röell en Oppenheim, om van anderen te zwijgen, meer dan eens voorkomen. Maar zoo overvloedig als de literatuur is, zoo verscheiden is zij ook van richting. Slechts over één punt zijn alle schrijvers het eens, over de groote weldaden, die eene goed geregelde administratieve rechtspraak zal brengen.

Be opzet der memorie van toelichting was daarmede gegeven. De wenschelijklieid van de invoering eener administratieve rechtspraak mocht zij voor erkend houden; de beginselen, die aan de in het ontwerp neergelegde regeling tot grondslag liggen, moest zii zelfstandig ontwikkelen en verklaren. Alleen op deze wijze was eene volledige en toch sobere motiveering dezer wetsvoordracht te bereiken. Geroepen telkens tusschen tal van uiteenloopende meening'en eene keuze te doen, moest de ondergeteekende immers, op straffe van overgroote uitvoerigheid, de verzoeking weerstaan, aan de menigvuldige controversen eene opzettelijke bespreking te wijden. Daarom moest hij er ook van afzien, de ontwikkeling zijner inzichten met de uiteenzettingen der Staatscommissie van 1891 in verband te brengen. Haar voortreffelijk verslag

zorgvuldig en met vrucht geraadpleegd, ook waar het slechts op eenen afstand werd gevolgd — leverde immers tot velerlei uiteenloopende beschouwingen stof. En bijgevolg kon de memorie van toelichting dezen uitnemenden arbeid bezwaarlijk telkens vermelden, als zij niet tevens op de talrijke meeningsverschillen wilde wijzen, wier behandeling juist, om kortheidswille, voorkomen diende fe worden.

Sluiten