Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lande zoo lang in liet duister. Toch moet het. altijd verwondering wekken, dat de enumeratie zooveel aanhangers vond, want, van haar eigen standpunt beoordeeld, is zij merkwaardig inconsequent.

Er worden niet alleen wetten geënumereerd, die het vrije goedvinden der administratie absoluut uitsluiten. Men enumereert ook wetten, die de administratie zekere vrije beweging vergunnen, en draagt dan soms tevens den rechter op, de grens dier vrijheid vast te stellen. Maar als de rechter inderdaad onbekwaam is, de grens van het vrije goedvinden der administratie te bepalen — en dit is het standpunt der enumeratie-theorie —, heeft enumeratie van dergelijke wetsteksten niet den minsten zin.

Door zulke enumeratie wordt toch enkel uitgemaakt, dat de administratie tot op zekere hoogte vrij, tot op zekere hoogte gebonden is* Dat zou de onbekwame rechter desnoods nog wel zelf kunnen uitvinden. De nauwkeurige scheidslijn tussehen vrijheid en gebondenheid wordt echter niet getrokken. Daar schuilt echter juist de groote moeilijkheid. En hoe zal de onbekwame rechter die te boven komen ? Het enkele feit der enumeratie maakt het vraagstuk der nauwkeurige grensbepaling toch niet eenvoudiger.

§ 10. Beperkingen van de administratieve rechtspraak door speciale loetsbepalingen.

Het ontwerp stelt in beginsel het beroep op den administratieven rechter zonder eenige beperking open (Artt. 1—5, 83 Ontw. en art. '2b Ontw. li. O.). Toch treft de administratieve rechtspraak niet alle besluiten, handelingen en weigeringen van administratieve organen. Speciale bepalingen, in deze of gene wet te vinden, onttrekken hier en daar een onderwerp aan de bevoegdheid van den administratieven rechter. Overal immers waar een wet rechtspraak omtrent een besluit, eene handeling of eene weigering der administratie opdraagt aan eenen anderen rechter, is daarmee tevens uitgemaakt, dat de administratieve rechter onbevoegd is. \ oorbeelden van zulke speciale beperkingen zijn o a. te vinden in de Wet van 28 Augustus 1851 (Staatsblad n°. 125), regelende^ de onteigening ten algemeene nutte (artt. 9, 18 vv., 66, <0 vv., 74, 88 vv.); Registratiewet van 22 Frimaire au YII (artt. 64 w.); Zegelwet 3 October 1843 (Staatsblad n°. 47) (art. 35); Wet ■! Jan. 1824 (Staatsblad n°. 1), houdende de wijzigingen in de bestaande verordeningen omtrent de hypotheekrechten (art. 7); Wet 13 Mei 1859 (Staatsblad n°. 36) op het recht van successie (art. 62); Kieswet 7 Sept. 1896 {Staatsblad n°. 154) (artt. 36 en 112); Wet '24 Juni 1901 (Staatsblad n°. 170), betr. mijnexploitatie van staatsw. in Limburg (artt. 4 en 7).

In al die wetten —• en er zijn er meer — wordt rechtspraak dooiden administratieven rechter voor een grooter of kleiner deel uitgesloten. Hoever nu die uitsluiting in ieder bijzonder geval gaat, is een vraag- van wetsuitlegging. Zij moet door de betrokken rechters worden beslist. Het Wetboek van administratieve rechtsvordering noch de

\rr~j. j i J T-I n

Sluiten