Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A\ at mogelijk is tusschen administratieve rechters onderling, is ook mogelijk tusschen den administratieven rechter eenerzijds en den burgei lijken of strafrechter anderzijds. Deze kan zich bevoegd achten over ondeiw erpen te oordeelen, ten aanzien waarvan de administratieve ïechtei bevoegd is, of hij kan ten onrecht© weigeren over onderwerpen te oordeelen, die inderdaad ter beslissing van hem en niet van den administratieven rechter staan. Of wel, hij geeft praejudicieele beslissingen over onderwerpen, die als hoofdzaak door den administratieve!), iechter zijn of zullen worden beslist. De strafrechter verklaart b.v. een ambtenaar, die eene vergadering* uiteen doet gaan, te verkeeren in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, terwijl de administratieve rechter de onwettigheid van zijn optreden uitspreekt.

Welnu, overal waar over een onderwerp, ten aanzien waarvan reeds bij eindgewijsde beslist is, een ander ei ndgewijsde in afwijkenden zin •« ordt gewezen, hetzij door eenen administratieven, hetzij door eenen burgerlijken of strafrechter, is een onhoudbare toestand ontstaan. Er wordt dan of onbevoegdheid staande gehouden door twee rechters, waarvan er slechts één incompetent is, öf recht gegeven door wel is waar competente rechters, maar in verschillenden zin.

In het eene zoowel als in het andere geval maakt de onderlinge tegenstrijdigheid der uitspraken deze zoo verdacht, dat ieder der partijen, tusschen wie ze zijn gewezen, hare herziening moet kunnen uitlokken. De partijen hebben toch zeker wel recht te weten, welke uitspraak nu juist is. Of zou men haar willen verplichten, zich neer te ''ij een gewijsde, dat volgens een anderen, niet minder gezagliebbenden rechter foutief is p

Op deze overwegingen steunt Titel 4 Boek III (Over de herzieningvan onderling onvereenigbare gewijsden). Waar onvereenigbare eiiufgewijsden ten aanzien van hetzelfde onderwerp zijn gewezen, hetzij dooi administratieve rechters, hetzij door eenen administratieven en eenen burgerlijken of strafrechter, kan ieder, die partij was in de door die gewijsden besliste gedingen, aan den hoogen raad de herziening dier uitspraken vragen (art. 262 Ontw.). De hooge raad doet recht, nadat de partijen hare standpunten hebben kunnen toelichten. En zoo inderdaad een der onvereenigbare uitspraken in strijd met de wet is gewezen, herziet hij die uitspraak en doet, wat de rechter, die haar wees, had behooren te doen (artt. 268—270 Ontw.).

De hooge raad grondt zijne beslissing op de feiten, zooals die volgens elk gewijsde vaststaan. Zijn onderzoek behoort toch enkel mogelijk verkeerde wetsinterpretatie te treffen. Dat brengt het doel van liet instituut mede: handhaving van de eenvormigheid der wetsinterpretatie, die door de verdeeling der rechtspraak tusschen verschillende rechters dreigt verloren te gaan. Voor zoover de bewijslevering betreft is bovendien geen eenheid te bereiken, om de eenvoudige reden, dat

V0?U', e}ken recllter d°01' verschillende regels beheersclit wordt (art, 269, lid 2, en 263 Ontw.).

De herziening is het werk van den lioogen raad, d. i. van de administratieve kamer van den hoogen raad, tenminste als tegenstrijdigheid bestaat tusschen administratieve gewijsden. Zijn een administra-

Sluiten