Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De fiuancieele aanspraken, die de hier bedoelde personen op het tijdstip van de invoering der nieuwe wetgeving bezitten, moeten geeerbiedigd worden. Verder behoort de erkenning liunner aanspraken echter niet te gaan. Zoo zal dus iemand, die bij de invoering der nieuwe wetgeving' kantonrechter derde klasse is en naderhand als raadsheer ontslagen wordt, slechts recht kunnen doen gelden op een pensioen ten bedrage van het kantonrechterstraktement. Voor de griffiers, zie de opmerking op artt. 117 en 118.

In den loop van iemands dienst - en dit zal vooral bij jonge ambtenaren het geval zijn kunnen zijne pensioenaanspraken ingevolge de bepalingen der wet omtrent de pensioenen van burgerlijke ambtenaren misschien stijgen boven het bedrag- der wedde, bij de invoering der nieuwe wetgeving genoten. Dan wordt het hoogere pensioen uitgekeerd. Vg. art. 119, lid 2.

Art. 120. De invoering der nieuwe wetgeving zal zulke belangrijke mutatiën in liet personeel der rechterlijke macht medebrengen, dat de ajrtt. 52 en 63 IJ. O. niet wel zullen kunnen worden toegepast. Daarbij komt nog, dat bij deze benoemingen één punt vooral van gewicht zal zijn: ervarenheid in het publieke recht. Bovendien zal getracht moeten worden, aan hen die ten gevolge van de ontbinding van den centralen raad en de raden van beroep op wachtgeld gesteld worden, eenen passenden werkkring te verzekeren.

Artt. 121 en 122. De nieuw te benoemen rechterlijke ambtenaren en beambten (artt. 15 vlg. Ontwerp III) moeten reeds vóór de invoering der nieuwe wetgeving benoemd kunnen worden. Zij moeten ook vóór die invoering den vereischten eed kunnen afleggen. Het nieuwe personeel moet toch op den dag van de invoering der nieuwe wetgeving in functie treden. En in verband hiermede moeten zij, die in de termen der artikelen 115, 117 en 118 vallen, ook reeds vóór de invoering der nieuwe wetgeving tegen dien tijd ontslagen kunnen worden (art. 124, lid 2).

Art. 123. Vg. artt. 47a, GIJ en 83d Ontw. (E. O.) II. Deze bepalingen stellen zooveel hulppersoneel ter beschikking van de griffiers, dat niet alleen het eerste, maar ook het tweede lid van art. 2 der wet van 26 Mei 1841 (Staatsblad n°. 18) kan vervallen.

Art. 124. Opdat na de inwerkingtreding dezer wet de kamers der gerechten onmiddellijk opnieuw gevormd kunnen worden (art. 113), dient de Minister de in de artt. 46&, 61 h en 83& bedoelde toestemming reeds van te voren te kunnen verleenen. Vg. verder de toelichting op de artt. 121 en 122.

l)c Minister van Justitie,

.T. A. Loeit.

Sluiten