Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den gelijkgesteld. Het ontwerp laat lien daarom, evenals de griffiers bij de kantongerechten der tweede klasse, met f 1500 beginnen. Aan den anderen kant maakt het echter een einde aan de bevoorrechting van de ambtenaren te Amsterdam en te Rotterdam (aanvangssalaris van f 1600). Yg. wetten van 2 Mei 1897, Staatsblad n°. 130, en 24 Juli 1903, Staatsblad n°. 234. De voorgestelde regeling verbetert hunne financieel© positie toch in die mate, dat eene exceptioneel gunstige behandeling voor het vervolg niet langer verdedigbaar is..

Zie verder de overgangsbepaling van art. 21 Ontw. III.

§ 7. De ambtenaren, die de tweejaarlijksche verhoogingen niet of slechts ten deele genieten.

De regel, dat de thans geldende wedden en aanvangswedden deirechterlijke ambtenaren vijf maal, na iedere twee jaar dienst, met f200 verhoogd worden, is voor vrij wel het geheele rechterlijke personeel doorgevoerd. Yg. § 15 M. v. T. op Ontw. I. Er zijn echter uitzonderingen gemaakt. Zij worden hieronder opgenoemd.

1°. De voorzitter van en de procureur-generaal bij den hoogen raad. Vg. art. 13 Ontw. III. Hunne tegenwoordige wedden zijn voldoende.

2°. De leden van en de officieren en substituut-officieren bij de rechtbanken te Amsterdam en te Rotterdam, benevens de kantonrechters aldaar. Bij de wet van 24 Juli 1903 (Staatsblad n°. 234) zijn hunne salarissen reeds met f 1000 ineens verhoogd. Het ontwerp eerbiedigt deze regeling. Zij, die thans ingevolge die wet f 1000 boven de normale wedde genieten, zullen voortaan - daarop komt het verschil in de toekomst neer - de vijf tweejaarlijksche verhoogingen onmiddellijk bij den aanvang van hunnen dienst ontvangen. Vg. artt. 3, 4 en 13 Ontw. III.

De artikelen.

Art. 1. Vg. §§ 2, 4 en G M. v. T. Ontw. III, benevens art. 83 en den staat, behoorende bij art. 110 Wet R. O.

Art. 2. Yg. §§ 2, 4 en G M. v. T. Ontw. III, benevens art. 01 en den staat, belioorende bij art. G1 Wet R. O.

Art. 3. \ g. §| 2, 4 en 6 M. v. T. Ontw. III, benevens art. 1 der wet van 9 April 1871 (Staatsblad n°. 79), gewijzigd bij de wetten van 7 October 1884 (Staatsblad n°. 212), 28 Augustus 188G (Staatsblad n°. 132), 20 Juli 1895 (Staatsblad n°. 132), 4 September 189G (Staatsblad ri°. 153), 29 December 1899 (Staatsblad n°. 283) en 24 Juli 1903 (Staatsblad n°. 234).

Art. 4 In de Memorie van Toelichting op art. 14 Ontw. (R. O.) II is reeds uiteengezet, waarom de vier kantongerechten te Amsterdam, gelijk de drie te Rotterdam, tot één gerecht niet vijf resp. vier rechters en een griffier, benevens vier, resp. drie substituut-griffiers, vereenigd worden. Tevens werd daar verklaard, waarom het kantongerecht in

Sluiten