Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teeren — aan liet toezicht der rechtbank van het laatste kanton onttrokken te worden (art. 14, lid 2, R. 0.). Hij fungeert in dit kanton slechts als waarnemend rechter; hij is daar niet tot rechter benoemd en als rechter gevestigd.

Alleen bij kantongerechten der derde klasse kan de plaats van rechter vacant gelaten en de waarneming der rechterlijke functiën aan den rechter van een aangrenzend kanton opgedragen worden. Deze opdracht kan bovendien alleen aan rechters bij kantongerechten der tweede of derde klasse worden verstrekt. De toepasselijkheid der artt. 8 en 9 Ontw. III is dus zóó .beperkt, dat alleen waar weinig of betrekkelijk weinig omgaat, de kantonrechterlijke werkzaamheden van twee kantons in één hand vereenigd zullen kunnen worden. Op de deugdelijkheid van den verrichten arbeid zal die vereeniging dus nimmer nadeelig werken.

De bevoegdheid, door art. 8 verleend, Kal slechts zeer voorzichtig benut worden. Hier of daar, waar de omstandigheden bijzonder gunstig zijn, zal eene proef worden genomen. Alleen als zij bevredigende resultaten geeft, zal, telkens na grondig onderzoek"der plaatselijke toestanden, art. 8 op ruimere schaal worden toegepast. Het ontwerp zelf rekent ten slotte met de mogelijkheid, dat ten gevolge van wijziging der omstandigheden of om welke oorzaak dan ook, de in art. 8 bedoelde opdracht niet doeltreffend blijkt te werken. Zij kan nl. te allen tijde worden ingetrokken.

De kantonrechter, die met de waarneming der rechterlijke functiën in een aangrenzend kanton belast wordt, ontvangt een vergoeding van f 500 'sjaars. De bezuiniging, per kanton te bereiken bedraagt derhalve f 2700. Aangenomen dat de in art. 8 Ontw. III voorgestelde maatregel slechts op 10 a 15 kantons kan worden toegepast, dan zou, na aftrek der verhoogde uitgaven voor reiskosten (art. .'30 Ontw. (R. O.) II), dus toch nog eene aanmerkelijke jaarlijksclie besparing verkregen zijn.

Art. 10. \ gl. §§ 14 en 15 n°. 2. Mem. v. Toel. Ontw. I.

Ten einde den vollen last der tweejaarlijksche verhoogingen niet onmiddellijk op de schatkist te doen drukken, doet liet Ontwerp deze verhoogingen, ook voor hen, die bij de inwerkingtreding dezer wet reeds gedurende langeren of korteren tijd in dienst zijn, eerst van den dag der invoering der nieuwe wetgeving ingaan. Ygl. art, 10 Ontw. III, bepaaldelijk de woorden: „die zij na de inwerkingtreding dezer wet.... werkzaam zijn."

Art. 11. De tweejaarlijksche verhoogingen worden alleen genoten voor de dienstjaren, in dezelfde betrekking doorgebracht. De loop der tweejaarlijksche verhoogingen wordt dus onderbroken, als een rechterlijk ambtenaar opnieuw als zoodanig wordt benoemd. Dat is ten minste de regel. Ag. art. 10 Ontw. III. Maar deze regel lijdt uitzondering. Enkele verwisseling van standplaats of overgang naar eene ongelijksoortige, maar gelijk bezoldigde en dus, volgens den wetgever, even veel inspanning eisehende betrekking als de vroegere mag voor een

Sluiten