Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duisternis: men kan op 'n gegeven oogenblik in 't verleden wel vragen, waarom, doch het is zeer twijfelachtig of op zulk een waarom ooit een antwoord gegeven worden zal dat het verstand geheel bevredigt. De onverbiddelijke wet is en blijft: Man frage nicht warum, der Sprachgebrauch laszt sich nur beobachten. Het is jammer dat Robert bij zijn waarneming ook niet is uitgegaan van het gesproken woord, waardoor in zijn boek enkele verschijnselen — ik kom daar later op terug — in 't duister zijn gebleven, andere overbodig toegelicht.

Het boek heeft tot inleiding een hoofdstuk origines et formation du francais, ik zeg tot inleiding en niet tot basis, zooals Dr. Sneijders De Vogel, die 'n akademischen stok moest hebben om zoo'n middelbaren hond te slaan, de goe gemeente trachtte wijs te maken. Dat die inleiding niet alleen sommaire maar noodzakelijkerwijze in 6 pagina's ook wat oppervlakkig is, zal Robert zelf wel toegeven, als hij dat hoofdstuk bijv. eens legt naast het 2e kapittel die auszere Geschichte der französischen Sprache in Meyer—Lübke's Historische Grammatik (Winter, Heidelberg, 1908). Op 'n paar punten wijkt Robert nog al belangrijk af van de laatst genoemde autoriteit. Zoo zegt Robert: „moins d'un siècle après 1'invasion romaine, on parlait latin dans presque toute la Gaule; le celtique ou gaulois ne se maintint que dans PArmorique". Meyer— Lübke daarentegen; „Dasz im III. lahrh. das Gallische noch ziemlich lebenskraftig war, zeigt eine Stelle in den Digesten (XXXI, 11), wonach Fideikominisse auch gallisch abgefaszt werden konnten . . . aber die starke Christianisierung im IV. Jahrh. und die Flucht der landlichen Bevölkerung nach den Stadten, wo natürlich das Latein fast allein herrschte, dürfte den Untergang der alten Sprache rasch befördert haben". Nog sterker wijken beide schrijvers van elkaar af op 'n ander punt. Men vergelijke Robert pag. 2: „Celui-ci [le gallo-Iatin] ne re^ut de la Ger-

Sluiten