Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wode, stormgeest en geestendrijver. In alle landen is de wilde jacht bekend. Hiermede wordt het gedruisch van een windig, stormachtig winterweder, het gekreun en gerucht der natuurelementen onder de woede van het orkaan verklaard als de vaart of de jacht van zielen en geesten, die, als wilde jagers, door de lucht snoeven, en spookachtig de menschen bedreigen. Dat hieten de Germanen Wuotans her, het leger van Woden of het woedende heir. Woden wordt als opperhoofd dezer gepijnigde en tevens dreigende geesten voorgesteld. Die overoude opvatting, die in de Middelduitsche letterkunde sporen heeft achtergelaten, leeft, hoewel onduidelijk, nog voort in den geest der Vlamingen en Duitschers. In het land van Waas wordt nog gezegd als het stormt en ruischt in de lucht: « de duivels houden kermis. » In het land van Aalst zal men vragen : « Hoort gij de Franc-Masons? » Somtijds wordt als leider der booze geesten genoemd een overledene, die in zijn leven veel kwaad aan kerk of land berokkend heeft; soms zijn het zielen van heidenen of van verongelukten, gemeenlijk gefolterde zielen, die, zonder aanvoerders noch bepaald doel, door de lucht gedreven worden met begeleiding van muziek.

Onze voorouders vereerden Woden als wintergod. Zij stelden hem vóór als eenen jager te paard zoo snel rennend als de wind, huilende brakken (winden) ijlden hem achterna. Hij droeg eenen mantel, welke hem onzichtbaar maakte (de grauwe wolken), en als jager eenen zvvijnspriet. Wolven en raven, winter- en tempeestgezellen waren hem heilig. De laatste schoof haver, die op het veld bleef staan, maakte Woden buit voor zijn ros Sleipnir. Als Woden in de lucht voorbijrende, en aangename offeranden vond, deed hij, zoo meenden de lieden, geen kwaad, maar liet zijne zegeningen achter. Het volk zegt. nog in West-Vlaan-

Sluiten