Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Thunaer ende Wdden ende Saxnote (Dys) en de them unholdum the hira genótas sint. Ik verzaak aan alle werken en woorden des duivels, aan Donar, Woden en Saxnoot (Dys), en aan alle gedrochten, die hunne genooten zijn. De tweede Merseburger tooverspreuk (iode eeuw) bewijst dat Woden onder alle goden of godinnen de sterkste toovermiddelen bezat: Phol ende Wodan vuorum zu holza, dü wart demo Balderes volon sin vuor birenkit. Thu biguolen Senthgunt, Sunna era suister; thü biguolen Frya, Volla era suister; thü biguolen Wodan, sö he wola conda, d. i. Phol (misschien Apollo of Balder) en Woden voeren eens naar het woud; toen verrekte het veulen van Balder zijnen voet; zij deden het belezen door Sinthgunt (eene onbekende lichtgodin) en door Freya, eindelijk door Woden, die den voet inzette, gelijk hij het wel kon. De Ags. stamtafels, waaronder verscheidene geslachtslijsten van koningen die in Engeland regeerden, leveren een nieuw bewijs dat ook na de verhuizing uit het moederland deze Germaansche stammen Woden als den hoofdgod aanzagen. Immers al deze genealogieën komen hierin overeen, dat zij tot den god Wodan, den stamvader der Ags. koningen, opklimmen. In sommige echter, o. a. in de Saksenkroniek zijn nog eenige namen als voorvaders van Woden toegevoegd; de lijst begint met Sceaf, dan volgt Sceldwa, dan Beaw, en zoo verder tot aan Wodan. In het volksepos Beowulf der zevende eeuw wordt Woden gemeenlijk Alvader, uitdeeler der glorie, roemvcrvuiler geheeten. Zoo spreekt Beowulf in zijn stervensuur : den Heer van alles weet ik dank met woorden, den Grloriegod, den eeuwigen Regeerder (vs. 2889); hij beveelt den strijdberoemden een heuvelgraf op te richten, een heerlijk... niet verre van der baren voorgebergte (vs. 2898).

Sluiten