Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sterk vastbinden, in brand steken al zingende : «Walmen, walmen brand, zeven zakken op 't dagwand. » Uit dit vers blijkt duidelijk dat hier ook op de toekomende vruchtbaarheid der aarde gezinspeeld wordt,

Frija, Frigg.

De eerste naam der aard- en hemelgodin is Frija, van het Sanskriet priya, eenvoudig beminde of echtgenoote beteekenend, daar zij de vrouw is bij uitmuntendheid, de vrouw van het hoogste goddelijk wezen, van den hemelgod. Haar naam Frija komt voor in den ohd. tekst van de tweede Merseburger tooverspreuk, waar zij met den Germaanschen Wodan in betrek staat. Dat zij, onder dezen eersten vorm, algemeen bij de Germaansche stammen bekend was, blijkt uit de namen van den haar gewijden weekdag, die alle van Frija, niet van Frigg of Freya afgeleid zijn : ohd. friatag, frijetag, fritach, ofri. friendei, mhd. frietac, frïtac, nhd. freitag, mnl. vridach, nndl. vrijdag, ags. frigedag, eng. friday. In het Noorden, waar Frija niet bekend was, maar wel Frigg, is de dagnaam niet Friggjardagr, maar Frjadagr, een bewijs dat hij aan de Duitsche stammen, van den naam Frija ontleend is. De Romeinen zegden dies Veneris voor den vrijdag. Frija is dus in de interpretatio romana Venus, ook de godin der liefde. Overal waar Frija (ohd.) of Frigg (on.) vermeld wordt, verschijnt zij als gemalin van Wodan of Odin; dat zij echter, zooals hieronder verhaald is, van ontrouw beschuldigd wordt, vindt hierin alleen zijne verklaring, dat zij vroeger de echtgenoote was van den voormaligen Tiwaz, den eersten hemelgod Dys, en slechts met de overheersching van Woden-Odin ook dezes laatsten vrouw werd.

Sluiten