Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijke zelfstandigheden gemaakt; zielen en maren zijn de inwendige levenskrachten en ervaringen van den mensch zeiven persoonlijk opgevat.

Alle wezens dragen eenen naam naar den aard van hunne verschijning of van den indruk, dien zij maken op de uiterlijke zintuigen. Bij den dood nu kon men eerst bemerken dat hetgeen aan den overledene ontbrak, de levensgeest of de ziel die het lichaam verlaten had, de adem was of een wind, die in de natuur vervlogen was. Daarom heette de ziel Ohd. ano, On. andi, Lat. animus d. i. wind, en bleef zij als zelfstandig wezen in den wind voortleven. De wilde jacht was niets anders dan de schaar der zielen, die bij stormig weder door de lucht dreven onder het geleide der windgodheid. Gelijk de winden in de bergen huisden, zoo gingen ook de zielen met de wilde jacht vandaar uit en keerden er terug. Wanneer zich iemand verhing, moest er volgens de heidensche Germanen storm ontstaan, en de storm was het geweldig heen- en weersnoeren van die gepijnigde ziel. Wanneer eene vrouw in het kraambed bezweek, ontstond een wervelwind, dit was de ziel die nog ronddreef in barensnood. De wervelwind heet nog geheel Vlaanderen dóór de barende vrouw.

De ziel openbaart zich echter ook anders dan onder de gedaante van wind of adem : zij neemt ook dierlijke vormen aan, en dit wel op zulke wijze dat de soort van het dierenhulsel, waaronder de afgescheidene ziel zich verschuilt, de zedelijke waarde of onwaarde van den mensch te kennen geeft. De ziel van eenen booswicht vertoont zich als slang of pad, de ziel van eenen heldhaftigen strijder als adelaar of wolf, de ziel eener schoone vrouw onder zwanengedaante, de zielen van reine minnaars als blanke leliën, die somtijds uit het graf opschieten als in

Sluiten