Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

salutem corporis aut animae ibi requisisti, d. i. men ondervrage den mensch of hij beloften gedaan, kaarsen gebrand heeft op eene plaats waar een afgod verblijft, of hij daar brood heeft geofferd, of eenig tijdelijk of geestelijk goed heeft afgesmeekt.

Offers werden dus zoowel aan geesten als aan eigenlijke goden gebracht. Zij bestonden aanvankelijk uit spijzen, daar men meende dat de geesten deel namen aan den maaltijd. Zoo offerde men ook spijzen aan de zielen van de overledenen en hield men maaltijden op de graven, waardoor de dooden moesten gebaat worden : sacrilegia ad sepulcra mortuorum, sacrelegia super defunctos.

Naarmate echter het peil der gedachten verhoogde, en uit de natuurgeesten onafhankelijke godheden ontstonden, werden ook offers van verhevener aard geplengd. Levende wezens werden ter eere der goden ter dood gebracht, als om hunne heerschappij over leven en dood te erkennen. Eens dat men beelden van de goden had vervaardigd, werden zij met het bloed van het slachtoffer besprenkeld. Men meende dat hierdoor, wanneer het houten of metalen beeld in aanraking kwam met het bloed, de bron van het leven, de geest van de godheid in de stof nederdaalde, en als in het beeld belichaamd tegenwoordig gesteld werd.

Het slachtoffer is des te waardiger dat het geofferde dier van edeler aard is, en de hoogste gave, die men den goden brengen kan, is het plengen van menschenoffers. Doch, daar bij het toenemen der beschaving het begrip der menschelijke waarde steeds meer in de geesten drong, schrikte men terug voor die gruweldaad, en werd de menschelijke persoon vervangen door iets wat hem toebehoorde of tot zijn onderhoud moest dienen.

Sluiten