Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de beide eilanden aan elkander verbonden zijn geweest, en zij weten er aan toe te voegen, dat dit tot het begin der 13e eeuw heeft geduurd. Bewijs daarvan geven zij evenwel niet, en vrijelijk mag dan ook gezegd, dat zij op dit punt dwalen. Immers een nauwkeurig onderzoek van de getuigenissen der Romeinsche geschiedschrijvers en der eerbiedwaardige Friesche Wetten omtrent de vroegere gesteldheid van deze kustlanden leidt tot de slotsom, dat reeds aan het begin onzer jaartelling de breede Fliestroom zijne wateren tusschen het latere Flieland en der Schelling heenstuwde. Van de nieuwere geschiedkenners is er dan ook niet éen, die het uitmonden van den ouden Flevus in het tegenwoordige Fliegat betwijfelt.

Evenmin zat Ameland aah Schellinge vast. Zij. toch waren gescheiden door den mond van een zeeboezem, die tot diep in het hart van Friesland doordrong: de nu dichtgeslibde Middelzee. Door het Gat van Ameland, dat weleer veel breeder was dan thans, drong zij de Friesche gouwen binnen en omvatte in haar wijden mond de gansche oppervlakte der Bildtlanden. Verderop naar het Zuiden had zij Oostergoo en Westergoo vaneen gescheurd, en wijl op de hoogte van Rauwerd de rivier de Boorne in deze binnenzee uitvloeide, gaf men haar den naam: Borne of Borndiep.1) Men begrijpt nu tever.s, hoe de zandbank voor het Amelander Gat heden ten dage nog het Bornrif heet.

Maar hoe was het voor een achttiental eeuwen aan de Zuidzijde des eilands gesteld? Strekte zich daar toen reeds het eentonig vlak der Wadden uit?

Volgens den geschiedschrijver Plinius lag er in zijne

') Mr. Ph. van Blom, Fr. Volksalm. 1889, bl. 158 v.v.

Sluiten