Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tWas m Julimaand ten jare 1238, toen abt Sybe Deimta beval den sikkel te slaan in het rijpe koren, dat golfde over de Lidlumer terplanden, en te beginnen met de grondslagen van het nieuwe gebouw. Met onvermoeiden ijver togen de broeders aan den arbeid en met het aanbreken der lente was men zoo ver gevorderd, dat de verhuizing kon geschieden.

Op den morgen van den eersten Paaschdag verlieten de bewoners van het Oude Dal, na God gedankt te hebben in plechtigen optocht hun geliefd convent. Langzaam schreed men voort, de koorknapen met kaarslicht en kruisbeeld voorop, dan de broeders, dragende het cibonum') en de kassen met relieken en al het heilige altaargerei, eindelijk een dichte schare parochianen uit den omtrek; en uit aller mond klonk statig als afscheidslied: jKyrie eleys, Christe eleys."2)

Mariëndal ging nu een gewichtig tijdperk te gemoet. Slechts enkele tientallen jaren na den gedenkwaardigen overtocht van Koehool naar Lidlum, troonde de abdij vol luister op haar hooggerugden terp en spiegelde zich trotsch in het watervlak van hare grachten. Ja, dermate wies haar aanzien, dat zij aan het einde der 13de eeuw hare moeder Mariëngaard overvleugelde en de eerste was van alle kloostergestichten tusschen Fliemond en Lauwers. Ten jare 1297 woonden niet minder dan 600 kloosterlingen binnen hare poorten.

De man onder wiens bestuur 't tot ontplooiing van zoo schoonen bloei kwam, was de kloeke abt Huitc van Winsum (1256—75). En 't is ook onder dezen kloostervoogd geweest, dat de nauwe band werd gelegd, die bijna

') Hostiekast.

2) Heer ontferm n, Christus ontferm u.

Sluiten