Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewegingen waren de vertolkingen van een naar God dorstend, een God dienend hart.

Johannes Brinckerinck placht te zeggen „dat hij voor een geheele week een beter mensch was, zoo hij dezen broeder de mis had hooren lezen".

Hoewel Gerlach een gezond eter was en een sterk voorstander van een goede voeding, als noodzakelijk voor het kunnen onderhouden van een opgewekt geloofsleven, was hij onder het eten in gespannen aandacht naar datgene wat tot overdenking werd voorgelezen1).

Een zeker Zwollenaar, die hem in de kerk bespied had, zeide van hem: „Clericus frater Gerlacus valde devotus est et internus, pro ut nunc in vesperis, ipso nesciente, consideravi"-

Zoo heftig werd hij vaak innerlijk beroerd, dat hij zich niet inhouden kon. Wanneer hij de gewijde klanken van het „Te deum" of van andere devote liederen door de kerk hoorde weergalmen, wekte dit zoo onuitsprekelijk verlangen, zoo schreiende dorst naar God, dat hij „in den Geest werd opgetogen", „de voorste leden van zijn voeten raakten nauwelijks den vloer aan" en als dan de anderen waren heengegaan en hij alleen als „sacrista" overbleef, dan liep hij met de oogen opgeheven, met de handen uitgestrekt ten hemel door het koor, den Geest van devotie waarvan hij dronken was, uitende in ongewone gebaren en klanken 2).

i) „In refectorio sedens ad mensam, semper totus ad Deum et ad lec-

tionem fuit intentus." 2) Zie Chronic. Windes. II, LV.

Sluiten