Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een „edelheit" dat is kinderen van God te zijn, tezamen zijn we één lichaam, „een yeghelic is een lit bisonderlinghe ende yeghelics glorie dat is des anders glorie". Daarom zullen we elkaar „seer minnen", met elkaar blijde en bedroefd zijn, niemand zal zich zelf zoeken, „meer een yeghelik solde alsoe liefhebben, dat sijn brueder rustede ende in deuchgeden voertghinghe, als hem selven" : *)

„Huedet u ummer, dat ghi niemant en ordeelt, ende voer achtersprake" z).

Al heb ik mynne voor alle menschen, „nochtant heb ic tot denghenen, die mij onrecht, achtersprake, verdriet ende moeynisse andoen, een sunderlinghe minlic neyghen des herten; want si breden ende widen mi den wech, daer ic mine minne hene strecken mach" 3).

Wat de waarneembare wereld aangaat, maant hij ons aan, dat we altijd goed doordrongen moeten zijn van het vergankelijke van alle dingen; laten ze u in niets verwarren ; het richten van zijn liefde op vergankelijke dingen geeft onrust en voert ons van God af4). Acht de uiterlijke dingen niet groot of klein, beschouw alle zichtbare dingen als vreemd. „Diu manebit parvus, qui aliquid non aeternum nee perpetuo durabile, magnum aestimat, quia pro tanto debemus omnia habere, modo parvitatis nostrae, pro quanto Dominus ea habet".

1) Vergel. met Br. 8 „Assuesce etiam ambulare in corde in latitudine charitatis, pro omnibus orando" etc. = L. II: 3.

2) L. I: 20. 3) L. II: 8. 4) Sol. Cap. ss.

Sluiten