Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overheerschen. O ik smeek tot u, o Heer! stort den Dagon, dat afschuwelijke afgodsbeeld terneer, verpletter het ter aarde, zoodat het zich niet meer opheffen kan.

Werp ze neder, Heer, ik smeek het u, werp ze neer alle die booze verleidende machten, alle zonden, alles wat nevens u heerschen wil, opdat Gij alleen heerscht, „et ego non sim amplius miserabiliter, instabilis et fugitivus a te" 1).

„Laet ons pinen stedelic verheven te sijn boven hope van eyghenen gewinne, boven lief en leet, boven ghemac en onghemac, boven sorghe en becommeringhe van herten, dat is boven al dat hinderen of onderdrucken mach den gloriosen opganc en den onghemetenen loep der mynnen." 2)

Dat ik me nog niet verheffen kan in de hoogte, breedte, diepte, in het onmetelijke en ik me met innerlijke kracht nog niet verheffen kan boven al het geschapene in het Eeuwige, dat ik me nog niet boven alle dingen aangetrokken gevoel tot den Eeuwige, hieruit blijkt duidelijk, dat ik nog gekneld ben in de boeien der eigenliefde, dat ik verlies en verachting en vernedering nog vrees. Ik wil weten wat me verhindert, wat me boeit, ik wil weten of het ding het waard is, dat ik me er door laat boeien of niet. Zoo niet, dan wil ik stout en vrij me er aan ontworstelen, want de opstijging van mijn geest

1) S. p. 66.

2) L. XI. : 4-

Sluiten