Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begeeft, om een half uur later aan het ploegen of spitten te zijn;

»wusan gawé nom" (± 9 uur 's morgens) als hij het zwakke vee uitspant, en ook het sterke, indien de grond zwaar is;

»tvistan gawé toewa" (+ 10 uur) als de ploegen en eggen alle uitgespannen zijn;

»remcmgsang", (±11 uur), het warmste gedeelte van den dag, als hij uitrust van den arbeid, en den middag, tbèdoeg" of *pandjér", latende voorbijgaan, tegen + 1 uur, »lingsir of igliwang", weer naar de sawah's trekt, om tegen ± 1'/2 uur, »loehoer", aan den arbeid te zijn, en daar niet mede te eindigen voor ± half vijf, »asar êndèk". Het spreekt van zelf dat men die uren en halve uren niet volgens den minuutwijzer moet opnemen, doch wij vermelden die zoo, omdat, bij het tallooze keeren noemen van een dier tijdstippen, het horloge immer dicht bij die tijden wees.

De soort van grond en de hoeveelheid water kunnen voor het ploegen of eggen één vierde verschil in uitgestrektheid voor denzelfden tijd geven, en de geoefendheid der werklieden, benevens sterkte en africhting der dieren daar nog één derde doen bijvoegen, terwijl het min of meer voorover houden van het kouter en het werken in de grootere vakken van het laagland of in de kleinere van het gebergte, gevoegd bij de gunstige of ongunstige omstandigheden van grond, geoefendheid der ploegers en dressuur der dieren, den tijd tot de helft kuunen verminderen, dan wel dien verdubbelen.

Het herstellen, aantrappen en gelijkstrijken der galëngngan's in het gebergte maken er tol vier maal den tijd van het laagland voor noodig. Bij het spitten geeft de kracht van deu arbeider, de diepte waartoe hij komt, en de soort van grond eene afwijking^ welke ergens den dubbelen tijd doet gebruiken van eene zelfde oppervlakte elders. Geoefendheid en overvloed van water schijnen het voornaamste, wat bij het uittrekken der zaailingen in aanmerking komt, om meer dan de helft verschil te doen ontstaan.

Bij het planten heeft men de meer of mindere zorgvuldigheid

Sluiten